Ze deed me denken aan een zweefvlieg.

Je kent ze wel, die beestjes die doen alsof ze wesp zijn. Zo beschermen ze zichzelf tegen anderen. Naja, meestal dan, als je erin trapt. Met hun anonimiteit als wapen -of angel- gaan ze door de lucht. Je hebt ze vast wel eens gezien, misschien alleen nooit herkend.

In de vleugels van een zweefvlieg zit iets wat verraadt dat ze geen wesp zijn, iets wat alleen zweefvliegen hebben; de Vena spuria. Dit is een ader die niet, zoals gewoonlijk is voor gevleugelde insecten, van het ene puntje van de vleugel naar de andere reikt, maar net naast de uiteindes van de vleugels begint en eindigt. Vena spuria is Latijn voor ‘onechte ader’. Onechte ader. Zelfs dat wat hun kenmerkt, wordt onecht genoemd. De outcast van de beestjes.

Ze deed me denken aan deze wezens. Ze was overtuigend in haar façade, ze schrok af en claimde tegelijkertijd haar dominante positie in de groep goed. Ik zag de rest van de groep een afstand bewaren. Iets wat zij een veilige afstand zou noemen. Ik slechts een afstand. Ze speelde haar rol zo waarheidsgetrouw dat ik denk dat ze er zelf in was gaan geloven.

Maar mij hield ze niet meer voor de gek, ik had haar ontmaskerd. Zij stak niet, ze dreigde slechts met steken. Haar kleding was iets dat ze bewust had uitgekozen als “dit ben ik vanaf vandaag”, en het tragische was: het paste haar voor geen meter. Ik bestudeerde haar, hoe ze zichzelf opblies, hoe ze opschepte over aangeleerde eigenschappen. Toen ze enigszins uitgeblufd was, verwijderde ze zich van de giftige situatie en liep weg. Ik volgde haar en vond haar, alleen, met slechts wat bloemen om haar heen, nectar verzamelend. Ik kreeg te doen met de nep-wesp.

Ik liep naar haar toe en trok aan haar jurk met zwart gele strepen. Ze draaide zich agressief om, haar ogen werden vuur en ze begon, zoals ik had verwacht, te dreigen. Ik vocht tegen het instinct haar van me af te slaan en bleef kalm stilstaan. Ze werd rustig. Ik pakte voorzichtig haar vleugel en hield het tegen het licht. Door een web van lijnen was een asymmetrische ader te zien.

‘Zie je’ zei ik, ‘je bent onschuldig.’ Ze keek me geschrokken aan. Haar blik viel weer op de ader die door andermans onbegrip ‘onecht’ was genoemd.

Ik kwam dichterbij, legde een hand tegen haar hand aan en voelde de koude spiegel tegen mijn handpalm.

‘Je kan niet steken’ ging ik verder ‚en nee je vliegt wellicht niet.. maar mijn hemel, jij kan zweven.’

Ik trok de te grote jurk uit, voelde me lichter worden en steeg langzaam op.

Laura Boog

Tekst

Masha Emelianova

Beeld

Leave a Reply