Schuld is inherent sociaal van aard. Het schuldig zijn, schuld voelen, het schuld toekennen, allen ontstaan slechts in relatie tussen het individu en anderen, of de samenleving als geheel. Wanneer men zich schuldig maakt aan iets, impliceert dit immers dat hij zich niet conformeert aan een bestaand normatief ideaal, of een praktijk die collectief gelegitimeerd is; een conventie. Ideaal in twee opvattingen van het woord. Enerzijds is schuld het gevolg van het niet voldoen aan een ideaal, een ought-to, maar anderzijds lijkt schuld ook een zwaardere claim op ons te leggen dan slechts het breken met een verwachting of een maatstaaf. Schuld lijkt me dan ook ‘ideaal’ in dat er iets bestaat zoals schuld, en dat dit niet alleen onwenselijk is, maar bovendien ook een soort van universele dwang uitoefent op het individu. Meer dan slechts contractbreuk suggereert een schuldgevoel ook een zekere verplichting op het morele vlak, iets dat, mede onder invloed van de Bijbel, doorgang heeft gevonden in ons alledaags handelen. Schuld is slecht, onschuld is goed. Wat me intrigeert echter, is deze schijnbare dichotomie tussen schuld en onschuld. Zeker, onschuld is niet slechts de combinatorische tegenhanger van schuld, maar meer dan dat. Onschuld bezien we veelal als een deugd. We kennen onschuld toe aan kinderen en jonge vrouwen (bijvoorbeeld in het Duits, waar het courante woord voor maagdelijkheid ‘Jungfrau’ betreft voor zowel mannen als vrouwen). Maar ook associëren we onschuld met reinheid, onaangetastheid, iets verhevens. Zo bezien is iemand die schuldig is per definitie niet onschuldig, maar iemand die onschuldig is niet altijd niet-schuldig. Een duidelijke lezing hiervan zien we natuurlijk terug in Gloria Wekker’s White Innocence, welk debat door Eileen Berkvens in dit nummer beschreven wordt.

Het zijn dit soort dichotomieën die ik wil uitwerken dit jaar, als nieuwe hoofdredacteur van dit blad. Ik heb daarom gekozen voor een thematiek die zich laat uitdrukken in zulke vermeende tegenstellingen. Voor nu richten we ons op de (on)schuldsvraag, in allerhande facetten toegepast door de redactie. Zo bespreekt Delia Spoelstra, eerlijk en open, haar strijd tussen een schuldgevoel en de prestatiecultuur van de universiteit en de samenleving, en richt Rowan Stol zich op het fenomeen guilty pleasures. We hebben een boekbespreking van Marcel Mauss’ Essays over de Gift, alwaar een systeem van schuld en totale prestaties zijn gerelateerd aan de instandhouding van primitieve samenlevingen. Sophie van der Does bespreekt voor ons de schuldrelatie tussen het iconische James Bond type en diens omgang met vrouwen, en heeft Weera Koopman zich toegelegd op een rondgang tussen sociologiestudenten omtrent hun standpunt over ‘witte onschuld’. Een luchtiger invulling van het thema zien we in het verhaal van Laura Boog over de zweefvlieg, en Rosa van Triest’s poëtische bijdrage.

Ik zou graag besluiten met een schuldbekentenis van mijner zijde. Het valt me namelijk op, tijdens dit schrijven, dat de schrijvende redactie in dit nummer uit zuiver vrouwen bestaat. Dat ik, als witte, hoogopgeleide man van nog-niet middelbare leeftijd, hoofdredacteur ben, en, dit hoofdredacteurschap mij is toevertrouwd door een andere witte, hoogopgeleide man van nog-niet middelbare leeftijd. Is het toch weer de schuld van de man. Gelukkig verdienen we evenveel.

Joey de Gruijl

Tekst

Leave a Reply