Wanneer de zon aan de andere kant van de aarde staat, dan heeft dat grote gevolgen voor de manier waarop mensen de wereld ervaren, en hiermee op de wijze waarop zij met elkaar omgaan. Afgeschermd van het vuur van dit ver verwijderde hemellichaam, door de kolossale bol die wij onze planeet noemen, bevinden we ons in de nacht. Het terrein van het sacrale. Een moment dat een sterke aantrekkingskracht op ons als mensen uitoefent, maar tegelijkertijd afschrikt. De tijd van mysticiteit. Van angst en genot, en van afgunst en lust.

Hoe wij dag en nacht ervaren – en welk gedrag hiermee gepaard gaat – komt niet alleen voort uit veranderingen in temperatuur, of de fluctuatie van licht op het moment dat de zon zich ons aan het zicht onttrekt of voordoet. Natuurverschijnselen zorgen in wisselwerking met het menselijk handelen voor het opkomen van sociologische fenomenen die op zichzelf een vruchtbare grond vormen voor het tot stand komen van ervaring en gedrag. In het boek Hoe tijd en mens elkaar beïnvloeden van filosoof en historicus Rüdiger Safranski beschrijft de auteur hoe de uitvinding van de zonnewijzer heeft geleid tot een inperking van het gebruikelijke levensritme. De noviteit van deze tijdmeting in de klassieke oudheid zorgde voor de opmaat van de totstandkoming van een tijdsdiscipline. Een sociale macht die de betekenis van de nacht substantieel heeft veranderd.

De opkomst van de protestantse ethiek, die op termijn in verschillende facetten van het sociale leven doordrong, zoals beschreven door Max Weber, hangt nauw samen met de alomtegenwoordigheid van dit tijdritme. De mogelijkheid om minuten te meten vormde het fundament van de punctualiteit en maakte de fameuze eigenschappen van het calvinistische arbeidsethos mogelijk: rationaliteit en berekenbaarheid, en het streven naar materiële welvaart. Deze religieuze waarden boden de voedingsbodem waarop het kapitalisme zich kon ontwikkelen.

Met de komst van dit systeem werden deze opvattingen geleidelijk van hun sacrale lading ontdaan. Maar ongeacht het motief om deze waarden aan te hangen impliceerden zij dat men overdag werkt en er ‘s nachts geslapen dient te worden. Ten dienste van het ideaal om zoveel mogelijk geld te verdienen is de mens op deze manier immers efficiënt en daarmee het meest productief. Goddelijke of materiële motieven, beide doctrines zagen de nacht als het domein van het immorele, waar mensen – geestelijke of arbeider – niets te zoeken hebben. Illustratief voor deze overtuiging is het volgende
citaat uit het Nieuwe Testament:

“Maar gij, broeders, zijt niet in de duisternis, zodat die dag u als een dief overvallen zou: want gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen des dags. Wij behoren niet aan nacht of duisternis toe; laten wij dan ook niet slapen gelijk de anderen, doch wakker en nuchter zijn. Want die slapen, slapen des nachts en die zich bedrinken, zijn des nachts dronken.” (Thessalonicenzen 5:410, Bijbel)

Driften horen bedwongen te worden en men dient zich te richten op het dagelijkse en dus het ‘goede’, waarbij de nacht gelijkgesteld wordt aan losbandigheid en duisternis. In deze nadruk op wat niet mag zou heel goed de verleiding van de nacht gevonden kunnen worden. De nacht ontleent zo haar mystieke karakter aan een geconstrueerde rem op het verlangen. Zoals de verborgen koektrommel in de voorraadkast, is dat wat mysterieus en moeilijk toegankelijk is spannend en begerenswaardig. Nieuwsgierig geworden hoe wij dit themanummer over ‘de nacht’ invulling hebben gegeven? Lees dan verder op de volgende pagina’s van deze derde uitgave van Sociologisch Mokum.

Mark de Boorder

Tekst

Leave a Reply