De dood is een fenomeen dat de meesten liever niet als onderdeel van het leven zouden willen zien. Misschien dat dit een belangrijke reden is dat het door de tijd heen vaak met taboes omgeven is geweest. De angst voor de eigen eindigheid maakt wellicht dat mensen het onderwerp liever verzwijgen, dan door erover te spreken een waarheid in het leven te roepen die hen confronteert met hun sterfelijkheid. Het onderwerp heeft vaak vakkundig een plek achter de coulissen van het openbare leven gekregen. Achter gesloten deuren waarbij gesloten monden niets loslieten tegenover de buitenwereld.

Toch is dit niet van alle tijden. Er zijn door de historie heen variaties in de zienswijzen op de dood geweest. De Franse geschiedkundige Philippe Ari√®s heeft in zijn klassieke werk Het uur van de dood uit 1977 laten zien dat hoe mensen omgaan met de dood tijd en plaatsgebonden is. In dit naslagwerk geeft hij over een periode van duizend jaar weer welke praktijken er in het Westen omtrent het sterven en rouwen bestonden. Hij laat bijvoorbeeld zien dat er in de Middeleeuwen sprake was van een ‘getemde’ of ‘huiselijke’ dood. Het sterven werd gezien als een onafwendbaar noodlot dat een vanzelfsprekend onderdeel van het leven uitmaakte.

Naarmate de eeuwen vorderen treden er veranderingen op en wordt de dood gaandeweg verbannen naar de randen van het maatschappelijke leven. Parallel aan processen van individualisering ontstaat het kerngezin, met het gevolg dat doodgaan en rouwen steeds meer een privéaangelegenheid worden. In de twintigste eeuw leidt een seculariseringstendens tot een afname van rituelen en is de dood verworden tot iets waar mensen buiten intieme kringen om nog maar weinig over spreken.

Tegenwoordig lijken deze ongeschreven afspraken die het spreken over de dood en de praktijken omtrent de dood beperken langzamerhand te worden ontbonden. Op televisie zijn er verscheidene programma’s die de dood van dichtbij in beeld brengen. Zoals het programma Over mijn lijk waarbij ongeneeslijk zieke jongeren gevolgd worden op hun sterfbed. Of onlangs de IDFAdocumentaire Mijn kanker van Meral Uslu, waarin de filmmaakster geconfronteerd wordt met borstkanker en haar eigen ervaringen heeft vastgelegd. In tegenstelling tot de oorlogsslachtoffers die wij via de verschillende media onder ogen komen, is het kenmerkende aan deze vorm van gemedialiseerde dood dat het een persoonlijk karakter heeft.

Een andere ontwikkeling waaruit blijkt dat het spreken over het sterven meer geaccepteerd wordt, is de toegenomen aanwezigheid van reclameuitingen van uitvaartverzekeraars. In een recente reclame van een van deze maatschappijen spreekt Adelheid Roosen de kijker toe terwijl er confetti boven een kist wordt uitgestrooid: “Durft u de dood te omarmen, te leren kennen. Dat als die komt, u hem weet te ontvangen?”

De dood is weer alom aanwezig in de publieke sfeer, en wie beter dan sociologen kunnen deze trend proberen te duiden. Daarnaast is het interessant een fenomeen als de dood waar eenieder vroeg of laat mee te maken krijgt – als onderwerp an sich van context te voorzien. Zoals Murakami bij monde van het hoofdpersonage Watanabe zo mooi omschrijft in de roman Norwegian Wood: “de dood is niet het tegendeel van het leven, maar omgeeft ons tijdens ons leven voortdurend.” In deze editie is om die reden uitgebreide aandacht voor de dood vanuit verschillende perspectieven. Wat is de stand van de doodstraf in Amerika? Waarom gaan mensen in Volendam op zo’n unieke wijze om met de doden? En hoe zit het met transhumanisten? Een groep mensen die streven naar het leven als cyborg: het worden van een soort mens dat in staat is om de huidige lichaamsgrenzen te ontstijgen. Hierover, en meer, kun je lezen in de tweede uitgave van Sociologisch Mokum van dit academisch jaar.

Mark de Boorder

Tekst

Leave a Reply