De meest gangbare opvatting van kennis luidt -naar mijn weten- als volgt: iets kennen komt neer op het hebben van een justified true belief. Om iets te kennen moet men een geloof hebben in de feitelijke waarheid van iets, en wel zodanig gegrond, dat men dit geloof gelegitimeerd mag achten. Kennis nemen bestaat dan in het bestuderen, of het zich toe-eigenen, van zulke justified true beliefs -hetzij middels scholing, danwel ervaring of betrouwbare hearsay van evenzeer betrouwbare bronnen. Als we dit als epistemologisch uitgangspunt nemen, dan ontslaat het ‘geloof’ zich van die legitimerende bewijslast. Het hebben van een geloof ergens in, is in zekere zin zelf-legitimerend: claimen dat men iets gelooft is iets wezenlijk anders dan claimen iets te weten, en daarmee minder dwingend -de waarheid van het geloof berust in het persoon en niet in de wereld, evenals de rechtvaardiging van het geloof. Hij die gelooft in het bestaan van een God, is daarmee immuun voor kritiek. Empirisch tegenbewijs -van het soort waar fel atheïsten als Dawkins en de zijnen graag mee strooien- schaadt hen dan ook zelden tot niet. Het is ironisch dat de vele verkondigers van het atheïsme niet inzien dat hun eigen ‘bewijsvoering’ tegen religieuze wereldbeelden, evenzeer berust op (hoogst) fragmentarisch bewijs, bij tijd en wijlen zeer inconsistent, maar bovenal lijkt op de vorm waarin religieuze geloofovertuiging vaak komt. Wat wordt ‘bewezen’ door iets als de evolutieleer is niet zozeer het niet-bestaan van God, maar veeleer de onwaarschijnlijkheid van het scheppingsverhaal in de Bijbel. Echter, de overtuiging van de atheïst betreft een dwingendere waarheidsclaim, die nooit inductief bewezen kan worden: er bestaat niet zoiets als God. Wie gelooft er nu wat?

De spanning tussen geloof en ongeloof heeft vele maatschappelijke vormen, waarvan religieuze geloofsbelijdenis slechts een van de meer triviale voorbeelden is. In deze tweede uitgave van Sociologisch Mokum diept de redactie een aantal van deze vormen uit. Chris van Kalkeren bespreekt het gevaar van wat zij noemt ‘wetenschapsatheïsme’ ten tijde van Trump, waar Eileen Berkvens zich verdiept in de opvatting dat ‘natuurlijke’ producten beter zouden zijn dan niet-natuurlijke equivalenten, en hoe dit drogredelijk is. Rowan Stol stelt zich in dit nummer de vraag waar de schuldvraag ligt wanneer het aankomt op fake news -is dit fenomeen te wijten aan kwaadwillenden, of naïviteit van de lezer, en hoe moeten we hiermee omgaan? Delia Spoelstra betoogt verder dat de zondebok die wij vanuit onze links-liberale bubbel zien in ‘de boze witte man’ de oorzaak vormt voor het succes van populistisch rechts. Sophie van der Does daarentegen beschouwt de andere kant van het spectrum, en legt zich toe op de geloofwaardigheid van de vertegenwoordigers van dit rechts-populisme en diens geloofwaardigheid, in de vorm van de heer Baudet. Op een luchtigere toon brengt Donna Brouwer een column over Beyoncé’s haast religieuze verschijningsvormen, en Instagram als (nieuw) medium voor zingeving voor de generatie millenials. Olav Zandbergen en Weera Koopman hebben een rondgang langs de faculteiten gedaan, en brengen een beeldreportage met de vraag ‘wat geloof jij?’ in het achterhoofd. En tot slot een tweetal literaire bijdragen. Emma Stomp brengt ons een kort verhaal over het noodlot van zelfbouwkastjes, en Rosa van Triest een poëtische noot.

Joey de Gruijl

Hoofdredacteur 2016 - 2017

Leave a Reply