by Jorit Verkerk
photo Giulia Morlando

De rubriek ‘ken je werkgroepdocent’ spreekt voor zich: middels een interview proberen we zij die onze werkgroepen verzorgen wat beter te leren kennen. En wat blijkt? Het zijn allemaal net mensen. Ditmaal: Yoren Lausberg (1992).

Over liefde gesproken, Yoren: je hebt een vriendin, toch?

“Ja, we hebben elkaar ontmoet in de collegebanken van sociologie. Ik zeg trouwens liever ‘partner’. De vriend-vriendin manier van spreken is een beetje heteronormatief, dus daar probeer ik op mijn manier van weg te blijven.”

En hoe gaat het met jullie?

“Goed! We zijn nu vier jaar samen en inmiddels aan het kijken naar mogelijkheden om samen te wonen in Amsterdam. Dat blijkt helaas redelijk onmogelijk te zijn. De inkomenseisen die worden gesteld aan vrije huur zijn niet normaal. Sociale huur is voor ons ook geen optie, dus het is een beetje demotiverend. We merken wel: tot er echt geld verdiend gaat worden, kan het eigenlijk gewoon niet. En of we ooit echt geld gaan verdienen, blijft gewoon de vraag. We hebben ook een beetje het probleem dat we allebei niet heel zeker zijn van onze toekomst wat werk betreft. Of dat in Amsterdam blijft of ergens anders – misschien aan de andere kant van de wereld. Dus dat zijn van die dingen die het lastig maken.”

Welk vak geef je nu?

“Voor het eerste jaar verzorg ik het mentoraat: dat omvat sociologie als ambacht en introductie tot sociologie. Verder geef ik stadssociologie en sociologische theorie 4 aan tweedejaars. Er is een mogelijkheid dat ik ook nog de werkgroepen van methodologie of veldwerk ga leiden, maar het punt met methodologie is dat je daar heel duidelijk moet zijn: dit is dit, en dat is dat. Ik weet dat ik daar niet de juiste persoon voor ben. Ik ben meer van de associaties: hoe gebruiken we dit artikel en wat vinden we er leuk aan? Ik wil ontologische en epistemologische discussies voeren. Dat is meestal niet wat eerstejaarsstudenten nodig hebben. Je moet eerst weten wat iets is, dan kun je erover na gaan denken. Dus als ik zou moeten kiezen, zou ik eerder veldwerk gaan geven dan methodologie.”

Waar wil je over tien jaar zijn?

[diepe zucht] “Als je me dit voor de zomer vroeg, had ik gezegd dat ik wil promoveren in de sociologie van de technologie. Nu denk ik: het is ook prima als ik wat anders ga doen. Er zijn genoeg andere goede organisaties waar ik kritisch werk kan doen, op een meer publiek niveau. Verder zijn er nog journalistieke organisaties waar ik misschien zou willen werken. Ik ben daar in een zomer tijd eigenlijk veel relaxter in geworden.”

En hoe komt dat?

“Vakantie! Nee, haha, ik zat in een researchmaster waar ik in een bubbel zat met twintig andere kwalitatief ingestelde mensen, die ook allemaal willen promoveren en daar gigantisch veel tijd in steken. Je scriptie wordt het allerbelangrijkste in je leven. Mijn wereld werd daar klein van: je wordt onderzoek-gefocust, cijfers gaan centraal staan… Het is een goede master die je doet met slimme mensen die je intellectueel stimuleren, maar het vernauwt je toekomstbeeld wel. Op een gegeven moment zat ik er zo diep in, dat de enige vragen die voor mij relevant waren luidden: gaat mijn scriptie wel gepubliceerd worden? Ga ik een goede PhD-plek vinden? Heb ik wel de juiste boeken gelezen, of nog niet? Er zit waarde in academisch werk, maar ook in vele andere dingen. Daar sta ik nu veel meer voor open. Ik wil over tien jaar op een maatschappelijk betrokken plek zijn waar ik gestimuleerd word om creatief en kritisch te zijn. Hoe dat er precies uit zal zien, zie ik dan wel.”

Wat zijn je sterktes en zwaktes als docent?

“Ik ben een gigantische chaoot. Ik heb niet zo’n boodschap aan alles georganiseerd te maken. Je moet het juiste cijfer geven aan de juiste student, de juiste tekst lezen en het juist uitleggen, maar ik laat bijvoorbeeld bijna nooit de attentielijst rondgaan. Dat vergeet ik gewoon. In mijn chaos hoop ik een opening te creëren waarin anderen hun zwaktes durven laten zien. Als ik aan mijn studenten vraag of ze de teksten hebben gelezen, antwoordt tot nog toe iedereen eerlijk. Ik weet niet of dat het geval was geweest als ik alles perfect op orde had gehad. In die chaos schuilt dus zowel mijn sterkte als mijn zwakte, denk ik.”

Vier jaar geleden stond jij aan het roer van de SoMo. Hoe was dat?

“Aanvankelijk ben ik Sociologie gaan studeren omdat ik de journalistiek in wilde. Voor de SoMo schrijven, was dan ook een bewuste keuze. Toen ik werd gevraagd voor het hoofdredacteurschap twijfelde ik wel even, maar het leek me echt leuk om te zien hoe ik het allemaal zou gaan bolwerken. Dus ik zei ja. Het ging niet allemaal van een leien dakje: in mijn eerste editie was de bijdrage van een docent waar ik tegen opkeek voor de helft verdwenen door een vormgevingsfout. Moest ik iemand die vrijwillig een stuk voor ons had geschreven vertellen dat zijn stuk niet volledig was gepubliceerd. Vond ik echt vreselijk. Nu denk ik: ach, we waren bachelorstudenten die een blaadje in elkaar zetten. Het is geweldig als dat goed gaat, maar dit was ook wel de uitgewezen plek om fouten te maken.”

Het doet me een deugd om je dat te horen zeggen. Waar was je uiteindelijk het meest trots op?

“Na die lelijke fout hebben we de switch gemaakt naar een professionelere vormgeving. Daar plukken jullie nu nog steeds de vruchten van. Bovendien hebben we het blad doorgegeven aan iemand die het goed deed. Daar was ik trots op – ik vind goed nalatenschap het allerbelangrijkst. Wat ik het leukste vond om te doen? Het schrijven van de editorials. Of iemand ze ooit las betwijfel ik, maar daar kon ik echt mijn ei in kwijt.”

Wat zijn je hobby’s?

“Ik verslind boeken – zowel academisch als non-academisch. Fictie, sci-fi, autobiografieën, noem maar op. Het klinkt nerdy, maar sciencefiction is echt goed voor sociologen. Het gaat namelijk over compleet alternatieve toekomsten, over andere werelden, en de schrijvers daarvan zijn alleen maar gelimiteerd door hun eigen creativiteit. Daar komen toffe dingen uit voort: soms hilarisch, soms serieus. De interne logica van sciencefiction is voor sociologen mateloos interessant.”

“Er is ook een lange tijd geweest dat ik het leuk vond om door fora als Reddit te spitten. Zo leerde ik veel over de manieren waarop mensen denken. Neem de discussie over incels, die onlangs gevoerd werd. Daarin werd gezegd dat het misschien wel het burgerschapsrecht van jongens is om te seksen, om een orgasme te krijgen, en dat er staatsvrouwen moesten worden ingezet om die jongens die orgasmes te geven. Dat is natuurlijk een belachelijke manier om te praten over vrouwen, maar het opmerkelijke is dus dat ik die discussies drie jaar geleden al gevoerd zag worden en die kinderen heb zien gaan van ‘ik kan geen date krijgen’ en ‘ik kan geen orgasme krijgen omdat ik geen meisjes in bed krijg’, naar ‘seks hebben met vrouwen is mijn recht’. Maar goed, nu lees ik dat allemaal niet meer, maar kijk ik gewoon de filmpjes van ContraPoints op YouTube. Dat is het kanaal van een trans-vrouw die het analyseren van dit soort discussies heeft verworven tot een studie en er hyper-sarcastische filmpjes over maakt. Echt een aanrader.”

Wat is je favoriete socioloog en waarom?

[denkt heel lang na] “Donna Haraway. Zij is van origine biologe, en heeft veel geschreven over de connectie tussen wetenschap en samenleving. Binnen die thematiek heb je veel apolitieke denkers die macht buiten beschouwing laten. Haraway heeft dat veranderd. Bij orthodontisten in Amerika bijvoorbeeld, is de ‘voorbeeldkaak’ gemodelleerd naar de Griekse mythologie. Dus als je een beugel krijgt, wordt je kaak gevormd naar de Griekse kaak. Dat is een gigantisch klassiek en wit ideaal, waaruit sterk blijkt dat tradities en idealen – en daarmee macht – wel degelijk aanwezig zijn in wetenschap en technologie.”

Tenslotte: hoe kijk je als socioloog naar liefde?

“Dat is een hele moeilijke vraag. Op persoonlijk front zou ik zeggen: liefde is enerzijds heel hard werken en anderzijds accepteren hoe de ander in elkaar zit. Dus je accepteert iemand volledig en daarmee ook de dingen die je niet zo leuk aan de ander vindt, met een wederzijdse wil om daar samen aan te werken, om in beweging te blijven. Mensen hebben heel snel de neiging om liefde vast te zetten: we hebben een relatie, jij hoort bij mij en ik bij jou en we gaan ons leven nu zo inrichten dat we samen één persoon worden. Ik vind dat zonde: je wordt verliefd op dat leuke individu. Goede liefde is een liefde die de ander ook stimuleert om eigen dingen te doen. En een liefde die het dan ook accepteert als de ander verandert, en mee willen veranderen – of juist zeggen: doe lekker je ding, dan doe ik het mijne.”

Jorit Verkerk

Hoofdredacteur

Giulia Morlando

Beeldredacteur

Leave a Reply