Wie vaak Spotify gebruikt is waarschijnlijk wel bekend met een van de vele functies van dit muziekprogramma: de ‘privésessie’. Hoewel ik in mijn dagelijkse gebruik van Spotify vaak niet nadenk over het feit dat mijn activiteit openbaar is voor mijn facebookvrienden, zijn er bepaalde momenten waarop ik toch mijn toevlucht zoek in zo´n privésessie. Ergens tussen mijn playlists bevindt zich namelijk mijn guilty pleasure-lijst, die voornamelijk bestaat uit populaire Top 40-nummers. Dat ik me gedwongen voel mijn interesse in deze nummers af te schermen van de buitenwereld, terwijl miljoenen mensen wereldwijd deze muziek openlijk beluisteren, vind ik eigenlijk nogal stompzinnig. Waarom, als ik hier net als vele anderen plezier aan beleef, wil ik niet dat anderen dit weten?

Toch is de schaamte die ik voel wel enigszins te verklaren. Het bestaan van een term als guilty pleasures, en het feit dat het slechts wordt toegewezen aan bepaalde smaakvoorkeuren omtrent muziek, film en tv-series, lijkt te suggereren dat er een zekere (culturele) waarde wordt gehecht aan smaak. Er lijkt een bepaalde status te worden toegekend op basis van een verschil in voorkeur. Maar wie bepaalt eigenlijk deze status, en op welke gronden dan? En waarom zijn er mensen die geen schaamte ervaren bij wat ik als guilty pleasure beschouw?

Guilty pleasures zijn goed te benaderen vanuit een cultureel kapitaal theorie, zoals die van Bourdieu. Hij beschrijft de smaakverschillen die ontstaan tussen de verschillende sociaal-economische posities van actoren aan de hand van inzet van cultureel en economisch kapitaal. Bij een hogere sociaal-economische positie worden bepaalde culturele voorkeuren ontwikkeld, aan de hand van cultureel kapitaal dat wordt opgedaan door onder andere de opvoeding en het sociale milieu waarin men opgroeit en leeft. Op het vlak van muziek resulteert dit bijvoorbeeld in een grotere interesse in klassieke of minder commerciële muziek, terwijl meer populaire vormen zoals popmuziek vaak meer worden gewaardeerd vanuit lagere sociaal-economische posities. Opvallend is dat het merendeel van mijn guilty pleasure-lijst uit bekende popnummers bestaat. Het verband tussen de culturele waardering vanuit een hogere sociaaleconomische klasse en de laagdrempeligheid van popmuziek biedt een mogelijke verklaring voor de schaamte die ik voel. Door mijn universitaire opleidingsniveau voel ik mogelijk de druk me exclusief te binden aan de culturele disposities die hier volgens een cultureel kapitaal-theorie meestal mee overeenkomen.

Voortbordurend op het fundament dat Bourdieu heeft gelegd met zijn indeling rond cultureel kapitaal, zet het onderzoek naar smaakvoorkeuren zich voort via wat genoemd wordt cultureel omnivorisme. Hierin wordt het bewustzijn van ‘hoge’ en ‘lage’ cultuur gecombineerd met een brede smaakvoorkeur in beide culturele velden. Door dit bewustzijn wordt overgegaan op een methode van ironic consumption. Guilty pleasures zijn hier een uitstekend voorbeeld van: door iets een guilty pleasure te noemen probeert men te projecteren dat de interesse niet volledig serieus is. Er wordt door ironie een defensieve positie ingenomen die aanduidt dat de persoon in kwestie zich ervan bewust is dat er een bepaalde sociale waarde aan die interesse wordt gehecht. Dit terwijl dat bewustzijn veelal ontbreekt bij een persoon met een niet-ironische interesse in popmuziek. De toepassing van ironic consumption is kenmerkend voor de cultureel omnivoor, omdat hierin de brede interesse kan worden getoond, zonder te veel af te stappen van wat ‘hoort’ bij de sociaal-economische positie.

De vraag die rest is hoe men schaamteloze waardering kan uiten voor de muziek die ik als guilty pleasure beschouw. Slechts door je bewust te zijn van de categorisering van bepaalde cultuuruitingen aan een hogere of lagere sociaaleconomische positie kan men een schatting maken van de waarde die gehecht wordt aan de eigen smaakvoorkeuren. Hiermee wil ik niet claimen dat bepaalde mensen beter kunnen beoordelen wat ‘goede’ of ‘slechte’ smaak is, maar wel dat er een bepaald maatschappelijk oordeel bestaat over bepaalde smaakvoorkeuren en dat dit, onder andere, heeft geresulteerd in het bestaan van de guilty pleasure-categorie. Zolang hier geen weet van is, zal men waarschijnlijk slechts handelen naar eigen voorkeur, en zich hierbij niet laten beïnvloeden door extern oordeel vanuit de sociale omgeving over wat wel of niet geaccepteerd is.

Het guilty pleasure-label dat ik hanteer gebruik ik dus voor muziek die naar mijn idee past bij de smaakvoorkeur die behoort tot een groep met een lagere sociaal-economische positie. Dit alles terwijl de smaak behorend tot een bepaalde sociaal-economische positie maatschappelijk is bepaald en via opvoeding en omgeving wordt doorgegeven. Het benoemen van guilty pleasures komt dus eigenlijk voort uit cultureel snobisme vanuit een hogere sociaal-economische positie, en zegt minder over de waarde van de muziek an sich.

Met het enorme bereik van het internet is het makkelijker dan ooit om toegang te krijgen tot een enorm gevarieerd assortiment aan muziek. De schaamte die ik voel ten aanzien van mijn interesse in lagere cultuur verdoezel ik door mijn luisteractiviteit af te schermen voor de buitenwereld en ironisch te consumeren, maar de indeling die ik maak is nogal achterhaald. Mijn guilty pleasures-lijst heb ik inmiddels omgedoopt tot ‘een ode aan popmuziek’, in de hoop voor mezelf, en voor de buitenwereld, de status van bepaalde muziek af te zwakken. Want de waardering an sich zou voldoende moeten zijn mijn interesse openlijk te laten zien, ongeacht het maatschappelijke waardeoordeel.

Rowan Stol

Tekst

Rosa van Triest

Beeld

Leave a Reply