Generatie Y en de opstanden van 2018


Bart van Heerikhuizen is sinds 1972 verbonden aan de Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen en heeft tot voor kort vele studenten geïnspireerd met zijn hoorcolleges. Voor deze editie van het Sociologisch Mokum leverde hij een beschouwing over de beroemde en beruchte studentenopstanden van 1968.

Het is mei 2018 en dat zullen we weten. De kranten staan vol artikelen, die uitgebreid verslag doen van iets dat precies vijftig jaar geleden in Frankrijk is gebeurd: de grote studenten-opstanden en de massale stakingsacties van mei 1968. Maar wat daarover in Nederland wordt geschreven staat in geen verhouding tot wat je in Frankrijk over je heen krijgt: de radio en de televisie lijken alleen nog maar de gaan over “Mai soixante-huit”, alle kranten en weekbladen brengen speciale edities uit, zelfs de televisiegidsen staan in het teken van wat een halve eeuw geleden gebeurde. Het is dan ook niet mis wat zich toen afspeelde: niet alleen gooiden studenten met straatstenen naar de politie (en vuurden agenten traangasgranaten af op de demonstranten), maar ook de arbeiders in grote en kleine Fransen fabrieken gingen in staking. Het hele sociale leven leek tot stilstand te komen, er was geen openbaar vervoer meer, de tentamens gingen niet door, de bevoorrading van de winkels kwam in gevaar (het ergste voor veel Fransen was dat ze nergens meer aan hun Gauloise-sigaretten konden komen) en het begon er op te lijken dat dit hoog-geïndustrialiseerde land opnieuw (na 1789, 1830, 1848 en 1871) in een echte revolutie verzeild raakte. In het midden van mei 1968 waren zo’n negen miljoen Fransen in staking en in sommige fabrieken werd de directeur in zijn kantoor opgesloten en namen de arbeiders de leiding van het bedrijf over. Zelfs de president, De Gaulle, leek in paniek te raken en hield op de televisie een toespraak die de kijkers het gevoel gaf dat hij de situatie niet meer in de hand had. Een maand lang stond het land op zijn kop. Niet alleen in Parijs, maar in alle steden en vaak ook op het platteland, werd het raderwerk van de moderne samenleving stilgelegd. In de loop van juni hernam het alledaagse leven zijn loop, al is het nog steeds een beetje raadselachtig hoe deze woeste storm zo snel toch ook weer kon overdrijven. Geen wonder dat daar nu, vijftig jaar later, op wordt omgezien met (nog altijd) grote verbazing en sociologische nieuwsgierigheid. Wat was hier gebeurd?

In de discussies over ‘les événements de Mai’ gaat het vaak over generaties. Men zegt dan bijvoorbeeld dat de generatie die deze revolutionaire situatie teweeg bracht, een heel idealistisch en tot actie geneigd leeftijds-cohort was. In Frankrijk noemen ze die generatie “les soixante-huitards”, de achtenzestigers. Die ene gebeurtenis in mei 1968 wordt dan dus gebruikt om een hele generatie een naam te geven, namelijk de generatie die in 1968 de fabrieken plat legde, de universiteitsgebouwen bezette en de politie met stenen bekogelde. Dat was de generatie die kort na de tweede wereldoorlog, zo tussen 1945 en 1950, was geboren, de generatie die in Amerika wordt genoemd: de ‘baby-boomers’. In Frankrijk en in Nederland was dat een in kwantitatief opzicht uitzonderlijke generatie. In demografische grafieken van de geboortencijfers zie je een opvallende piek in de periode 1945-1950. En volgens veel sociologen had dat ook iets te maken met de opstandige bewegingen van de jaren zestig, zoals de Provo-beweging in Nederland, het studentenprotest in Berlijn, de anti-Vietnamoorlog-beweging in de Verenigde Staten en de mei-68-beweging in Frankrijk: de leden van deze leeftijdsgroep waren in getalsmatig opzicht een zo dominante groep in de samenleving dat ze de macht van het aantal konden inzetten. Dat merkte je bij voorbeeld aan de universiteiten, waar plotseling de collegezalen in de tweede helft van de jaren zestig begonnen uit te puilen van de studenten, die al snel op hoge toon hun eisen begonnen te stellen.

De Franse “soixant-huitards”, de Nederlandse leden van de geboortegolf en de Amerikaanse baby-boomers hebben een heel onaangename neiging, die ik zelf maar al te goed ken, want ik ben geboren in 1948 en ik behoor dus tot dit cohort. Ze zeggen met enige regelmaat het volgende: ‘Onze generatie was idealistisch, onze leeftijdsgroep wilde de wereld verbeteren, wij gingen de straat op om onze eisen kracht bij te zetten; och, och, wat een verschil met de huidige millenials, de leden van de generatie Y en Z! Die zijn helemaal niet maatschappelijk betrokken, die zitten de godganse dag op de schermpjes van hun iPhones te turen, die interesseert het leed in de wereld geen zier, zo lang ze zelf maar een goedbetaald baantje kunnen scoren waarmee ze zo veel verdienen dat ze mooie kleren en snelle auto’s kunnen kopen. Nee, dan wij!!’ Deze zelfgenoegzame retoriek is dom, onder meer omdat hij stereotypeert en generaliseert en dit gezeur heeft dan ook geleid tot felle reacties. In Frankrijk is die tegen-beweging nog scherper dan in Nederland. Daar schrijven jonge intellectuelen in kranten en weekbladen stukken die er op neer komen dat het de hoogste tijd is dat die betweterige “soixante-huitards” nu maar eens dood gaan. Ze hebben lang genoeg het politieke debat verpest door alles wat niet voldoende politiek correct was te bestempelen als racisme of nazisme. Maar er is hoop: de “soixante-huitards” hebben heel veel gerookt (Gauloises!) en grote hoeveelheden alcoholische drank tot zich genomen, ze zijn zich te buiten gegaan aan riskante seks en gekmakende drugs, dus de grijsharige zeventig plussers zullen wel niet meer zo lang blijven leven. Good riddance!

Onlangs verscheen in Frankrijk een heel interessant boek van een beroemde socioloog, Jean-Pierre Le Goff, die het oneens is met zowel de “soixante-huitards” als met hun nieuw-rechtse critici. Hij werd geboren in 1949, dus hij is zelf lid van deze generatie, maar toch is hij uitgegroeid tot een tamelijk conservatieve denker (na overigens een poosje een fanatieke Maoïst te zijn geweest). Le Goff publiceerde dit voorjaar het boek La France d’ hier, dat ik met heel veel plezier las en dat ik iedereen die de Franse taal machtig is sterk aanbeveel. Al heet het ‘Het Frankrijk van gisteren’ toch gaat het vooral over de vraag hoe de generatie van de babyboomers bijdroeg aan het ontstaan van de revolutionaire gebeurtenissen van mei 1968.

Le Goff is van mening dat de mensen die geboren zijn tussen 1980 en 2005, generatie Y plus de oudste leden van generatie Z, niet goed kunnen begrijpen wat degenen die kort na de tweede wereldoorlog geboren werden bezielde. Hij denkt dat iemand die op dit moment een jaar of twintig is zich moeilijk kan verplaatsen in de habitus, de maatschappijopvatting, de wereldvisie, van iemand die geboren werd tussen 1945 en 1950. Hij schreef dit boek om daarbij behulpzaam te zijn. De baby-boomers, zegt Le Goff, hebben een heel bijzondere ervaring gehad, die hebben iets meegemaakt dat geen enkele eerdere generatie heeft beleefd en ook geen enkele latere generatie: zij hebben ‘de nieuwe wereld’ geboren zien worden uit ‘de oude wereld’ en deze dramatische overgang van het ene maatschappijtype naar het andere maatschappijtype voltrok zich ook nog eens uitgerekend op het moment dat ze zelf midden in hun puberteit zaten, die jaren waarin je je voor het eerst echt serieus gaat verdiepen in sociale vragen, de fase gedurende welke een mens transformeert van een kind in een jong-volwassene. Die ervaring heeft deze generatie getekend voor het leven en je kunt de gebeurtenissen van ‘mei ‘68’ niet begrijpen als je niet invoelend (Verstehend, zou een Weberiaan zeggen) begrijpt waar die generatie doorheen is gegaan.

Met ‘de oude wereld’ bedoelt Le Goff dat de baby-boomers in de late jaren veertig en in de jaren vijftig opgroeiden in een sociaal-economisch-cultureel klimaat dat in veel opzichten nog verankerd was in de negentiende eeuw. Hij bespreekt bij voorbeeld allerlei spreekwoorden en gezegden die in zijn kindertijd nog werden gezien als bruikbare wijsheden, hoewel ze soms al eeuwen oud waren: “Avondrood, water in de sloot”, “Maart roert zijn staart”, “Loop nooit onder een ladder door, dat brengt ongeluk”. De kleuterliedjes in de jaren vijftig kun je terugvoeren op de achttiende eeuw: “Altijd is Kortjakje ziek” (Mozart heeft er nog hele mooie variaties op geschreven). Maar reeds in hun kindertijd kondigde de nieuwe wereld zijn komst aan: de radio kwam in huis en bracht Amerikaanse populaire swingende muziek (Sinatra, Ella Fitzgerald), de kinderen speelden met miniatuur-autootjes en elektrische treintjes, symbolen van de moderne wereld. Maar de grote overgang kwam begin jaren zestig, toen de verzorgingsstaat zich ineens snel uitbreidde, toen de lonen omhoog gingen, toen de ‘Welfare state’ zich aandiende, de mensen veel langer en veel verder weg op vakantie konden gaan, toen de ‘consumptiesamenleving’ doorbrak. Vader kocht zijn eerste auto, moeder ‘kreeg’ een wasmachine (van vader), de kinderen zeurden net zo lang tot er een televisie in huis kwam. En op de radio werd Sinatra verdrongen door Bob Dylan, de Beatles en de Stones. Le Goff noemt deze snelle alomvattende transformatie ‘de kanteling’, ‘le basculement’. De eikenhouten meubelen gingen de straat op en ineens kwamen de gispen-kastjes het huis binnen, strak modern meubilair dat verwees naar de artistieke beweging van De Stijl. De tot dan toe bedompte huiskamers werden ineens een heel stuk lichter. Maar de leden van de baby-boom-generatie behielden wel hun herinneringen aan de ‘oude wereld’ van armoede, donkere woningen, primitieve hygiëne, beroerde gezondheidszorg. Van die wereld hadden ze het staartje nog meegemaakt, maar ze vergaten dat niet, het bleef bij ze, niet als kennis uit een geschiedenisboekje, maar als iets waarvan ze nog wisten hoe het toen rook.

De ‘kanteling’ gaf volgens Le Goff in de samenleving een enorme spanning: de verdwijnende oude ‘harde’ wereld van armoede en nood bestond in de jaren zestig pal naast de opkomende wereld van snelle auto’s, nieuwe communicatiemedia, elektrische huishoudelijke artikelen, nieuwe stelsels van overheidssteun voor mensen die in financiële zorgen waren geraakt, enzovoort. De kanteling gaf ook een verwarrende spanning in de hoofden van diegenen die deze transitie meemaakten op het moment dat ze zelf door hun adolescentie-fase heen gingen.

Le Goff zegt het nergens in zijn boek, maar hier gebruikt hij, of hij het zich nu bewust is of niet, een inzicht van de Duitse socioloog Karl Mannheim, die reeds in de jaren dertig van de vorige eeuw pleitte voor het belang van het begrip ‘generatie’ in de sociologie. Ook Mannheim benadrukte dat het er bij een generatie vooral om gaat wat de leden van die groep hebben meegemaakt in de periode dat ze als het ware hun ogen openden voor de wereld om ze heen, hun puber-jaren, de fase tussen hun twaalfde en achttiende zo ongeveer. Wat je in die jaren meemaakt, dat gaat werken als een soort fundament onder al het andere dat daarna tot je komt. In die middelbare school periode wordt de basis gelegd. Dit is precies wat Le Goff ook gelooft: de baby-boomers maakten in hun meest gevoelige levensfase iets enorms mee, namelijk de komst van wat Giddens heeft genoemd: ‘high modernity’.

Generatie Y kan de historische gebeurtenissen van de jaren zestig niet begrijpen zonder begrip van wat de generatie die in de late jaren veertig geboren werd had doorgemaakt, zegt Le Goff. De opstanden van de studenten in Berlijn in de jaren zestig, de dodelijke rellen tussen jonge rebellen en de politie in Chicago in 1968, de Nederlandse Provo’s in 1965 en de Maagdenhuisbezetters in 1969, de gebeurtenissen in Frankrijk in Mei 1968, je kunt ze niet begrijpen als je deze achtergrond niet kent. Dat is een interessant idee.

Toen ik het boek uit had, bleef ik over een paar dingen piekeren. Dat is altijd een goed teken: boeken zijn ervoor om je aan het denken te zetten. Vooral twee kwesties zijn door mijn hoofd blijven ronddraaien. Ten eerste zegt Le Goff dus eigenlijk toch dat het waar is dat de generatie van de baby-boomers politieker, idealistischer, revolutionairder was dan de generaties die na hen kwamen. In zekere zin neemt deze ‘soixante-huitard’ dus toch de visie over volgens welke zijn eigen generatie zich onderscheidde wat betreft maatschappelijke betrokkenheid en opstandigheid. Maar hij zet het in een heel ander kader. Hij zegt: dat was niet onze eigen verdienste, we mogen er onszelf niet voor op de borst slaan, het is de onvoorziene, onbedoelde uitkomst van processen die wij zelf niet in de hand hadden en die zich toevallig juist voltrokken toen wij pubers waren. Deze sociologisering van de vraag naar de bijzondere kenmerken van een bepaalde generatie ontdoet de kwestie van moralisme, van trots op eigen prestaties en van neerkijken op een andere generatie. Dat deze mensen geboren werden in de tweede helft van de jaren veertig was een kwestie van toeval, ze mogen zich daar natuurlijk niet op voorstaan. Maar dat toeval van de geboorte-datum heeft ze wel een bepaalde maatschappij-opvatting bezorgd.

De tweede gedachte kwam bij me op toen ik keek naar de beelden van het Frankrijk van nu op de televisiezender TV5. Wie op dit moment, april 2018, naar het Franse journaal van acht uur kijkt, ziet elke avond woedende studenten die hun universiteitsgebouwen bezetten, onder meer omdat ze het niet eens zijn met de selectieprocedures van de universiteiten, die ziet stakende fabrieksarbeiders, die vinden dat de nieuwe president Macron een asociaal ‘neo-liberaal’ beleid voert, die ziet treinpersoneel dat ervoor zorgt dat er op sommige dagen nauwelijks nog vervoer over het spoor bestaat en piloten die hun vliegtuigen aan de grond houden. Het is op het moment dat ik dit schrijf nog lang niet zo ver als in 1968 en het zou eerlijk gezegd ook wel erg raar zijn als het precies vijftig jaar na mei ’68 weer tot een uitbarsting zou komen in Frankrijk, maar het heeft er wel iets van weg. Als dat zou gebeuren, als nu werkelijk degenen die behoren tot generatie Y en Z het land plat zouden leggen, de hele infrastructuur tot stilstand zouden brengen, hoe zou je dat dan kunnen verklaren met de theorie van Le Goff als verklarend model? Zou een socioloog over vijftig jaar misschien zeggen: “De generatie die werd geboren tussen 1985 en 2005 maakte in haar vormende jaren de opkomst mee van “moderniteit twee punt nul”, de opkomst van de wereld van Artificial Intelligence, Algoritmes, On Demand diensten, digitalisering, robotisering. De oude wereld van hun ouders, de wereld van radio en televisie, van naar het nieuws kijken om precies acht uur ’s avonds, begon te schuren langs hun nieuwe wereld van Twitter, Facebook, Instagram en Google. Zij hadden moeders die nog trots waren op hun kasten vol boeken (‘Ik heb alles van Maarten ‘t Hart!’), vaders met een prachtige collectie vinylplaten en cd’s (‘Het is toch het leukste om naar de platenzaak te gaan en dan het nieuwste album van de Stones te kopen; daar kan voor mij geen Spotify tegenop’), zij kenden nog het genoegen van een tijdschrift in een zogenaamde ‘ tijdschriftenwinkel’ aan te schaffen en dan thuis op de bank te plofffen en in zo’n papieren geval met nietjes erdoorheen te gaan bladeren, maar tegelijkertijd leefden ze al in de wereld van digitale boeken bij Amazon, songs van Apple Music, reizen met Uber, couch surfen met een app. Ze konden nog aanvoelen hoe prettig het is om een ding te hébben, om het vast te kunnen pakken, te kunnen genieten van het genot een dik sjiek kunstboekaan te schaffen in de Museumwinkel, maar zelf gaven ze hun geld daar al niet meer aan uit, want omstreeks 2018 kon je praktisch alles al gratis downloaden. Die twee werelden zorgden voor een enorme spanning in de hoofden van de leden van generatie Y, juist toen ze in hun puberteit zaten. En zo kun je de wereldwijde revoluties verklaren die, zoals je allemaal weten, inmiddels de geschiedenisboeken zijn ingegaan als ‘de opstanden van 2018’.”

Heel waarschijnlijk is het niet, maar toch: het zou zomaar kunnen.

Jean-Pierre le Goff, La France d’hier. Récit d’un monde adolescent des années 1950 à Mai 68. Parijs: Editions Stock, 2018.

Bart van Heerikhuizen

Leave a Reply