‘Volslank’, ‘gezet’ of ‘een maatje meer’: mensen wringen zich in allerlei bochten om het woord ‘dik’ te omzeilen. Er gaat veel stigmatisering gepaard met het woord: dikke mensen zouden lui en onsuccesvol zijn, of slecht in bewegen. Organisatiewetenschapper Dide van Eck bewees dat een dik lichaam de kansen om aangenomen te worden voor een baan vermindert. Waarom heeft dik zijn zo’n negatieve associatie? In dit artikel zal het woord dik expliciet benoemd worden, als omschrijving van een lichaam, om zo de sociale ongelijkheid die ermee gepaard gaat te doorbreken. Hieronder zal ik uitleggen wat fatshaming is en waarom het vooral nadelig uitwerkt op vrouwen.

Volgens Foucault bepalen dominante waarheden in de maatschappij welke lichamen als natuurlijk en normaal worden beschouwd. Deze waarheden zijn het product van een door machtsverhoudingen gekenmerkt discours. Fatshaming wordt volgens antropologe en sociaal psychologe Noortje Van Amsterdam door twee dominante waarheden in stand gehouden. Deze waarheden halen hun kracht uit het feit dat ze een tegenstelling vormen: het dunne lichaam, de eerste waarheid, wordt geframed als een heteroseksueel, aantrekkelijk en succesvol lichaam, terwijl het dikke lichaam, de tweede waarheid, als ongezond en gefaald wordt geconstrueerd. Samen vormen de waarheden een lichaamshiërarchie waarop dunne mensen als de norm worden gepositioneerd en dikke mensen als afwijkend.

De tweede waarheid is gebaseerd op wat Van Amsterdam het “neoliberal health discourse” noemt. Binnen dat discours worden dikke mensen geframed als zij die hun individuele verantwoordelijkheid hebben nagelaten om hun lichamen naar de norm te conformeren. Deze gedachte is gebaseerd op het meritocratische ideaal dat iemand zelf verantwoordelijk is voor zijn of haar eigen lichaam. Het gegeven dat er controle uitgeoefend kan worden op het lichaam, legitimeert de ongelijke status van dikke mensen. Door het Nederlandse “eigen schuld, dikke bult” idee is het sociaal geaccepteerd om dikke mensen aan te spreken op hun lichaam. Als iemand ook maar enige tevredenheid met zijn of haar dikke lichaam vertoont, voelen toehoorders dat zij die persoon moeten wijzen op statistieken van door neoliberalisme ingegeven gezondheidsrisico’s van dik zijn.

De kracht van het woord ‘dik’ is dat het echter kan refereren naar alle lichamen. Zelfs mensen die door anderen als dun worden gezien, vragen zich wel eens af of ze dik zijn. Naast dat dikke mensen worden gestigmatiseerd door deze dominante waarheden, zorgen ze ook dat zowel dunne als dikke mensen een slecht zelfbeeld eraan kunnen ontlenen.

Volgens Foucault disciplineren dominante waarheden hoe wij ons zouden moeten gedragen, vooral als je niet voldoet aan geldende normen. Van Eck toont aan dat dikke mensen binnen deze waarheden zelf ook actief zijn door ze te reproduceren of weerleggen. Een van de coping strategies die Van Eck bij haar respondenten vond, is het compenseren voor hun lichaam: door bijvoorbeeld extra hun best te doen op werk of er heel verzorgd uit te zien, laten zij zien dat dominante waarheden over dikke mensen niet voor hen gelden. Iemand die dikker is dan de norm is bovendien volgens Foucault niet alleen meer zichtbaar door zijn of haar lichaam zelf, maar ook door zijn of haar stigma. Roxane Gay schreef in haar prachtige, persoonlijke boek Hunger hoe zij na een traumatische ervaring zo onzichtbaar mogelijk wilde worden voor de maatschappij. Paradoxaal deed zij dat door haar lichaam zo groot mogelijk te maken, omdat ze wist dat zij, vanwege het stigma op dik zijn, veilig zou zijn voor de aandacht van anderen. Het stigma maakt tegelijk zichtbaar én onzichtbaar.

Hoe hangt fatshaming samen met feminisme? Binnen intersectioneel feminisme worden verschillende sociale constructen waardoor individuen worden gecategoriseerd, zoals gender, etniciteit en klasse, niet als verschillende ongelijkheden opgevat, maar als kruisend. Ik sluit me bij Van Amsterdam aan door lichaamsgrootte als een van de markers van ongelijkheid te beschouwen. Hieronder zal ik laten zien hoe de ongelijkheden gender, seksualiteit, etniciteit en lichaamsgrootte elkaar kruisen.

Van Amsterdam vond dat mannen, in tegenstelling tot vrouwen, manieren hebben om hun lichaam om te zetten in een positieve dikke identiteit, bijvoorbeeld door gezag uit te stralen. Deze positieve identiteit is voor vrouwen in de meeste gevallen niet beschikbaar, omdat deze in strijd is met hoe (heteroseksuele, witte) vrouwelijkheid wordt geconstrueerd. Er rust op vrouwen bovendien meer sociale druk om aan schoonheidsnormen in te voldoen dan op mannen. Er kan gesteld worden: fatshaming is een feministische kwestie.

Het is van belang om ook te kijken naar hoe de voorgenoemde ongelijkheden kruisen met etniciteit. Dikke, zwarte vrouwen worden namelijk vaak als ofwel aseksueel ofwel hyperseksueel afgebeeld. De grote, zwarte vrouw – Big Momma – wordt volgens Van Amsterdam geconstrueerd als betrouwbare, huishoudelijke hulp “whose blackness and fatness are exaggerated to exclude her from the ideal of White female beauty”. Door haar aseksualiteit vormt zij geen bedreiging voor witte, heteroseksuele vrouwen. Antropologe Gloria Wekker toont aan hoe beeldvorming uit het Nederlandse koloniale verleden de seksualiteit van zwarte vrouwen juist construeert als overactief, deviant, excessief, dichterbij de natuur, zonder controle en dierlijk. Een dikke vrouw van kleur ervaart dus andere gevolgen van ongelijkheden dan een dikke witte vrouw.

Door naar fatshaming te kijken met een intersectionele benadering wordt duidelijk dat verschillende ongelijkheden elkaar kruisen. Ik hoop dat dit stuk meer inzicht geeft in de complexiteit rondom dik zijn en de machtsverhoudingen die er mee gepaard gaan. Met name hoop ik op meer respect voor de lichamen en keuzes van dikke mensen, en specifiek dikke vrouwen (van kleur). Op naar een samenleving waar het woord dik geen neoliberaal scheldwoord is.

Weera Koopman

Tekst

Leave a Reply