Een redelijk eigenzinnige deceptie

De Nederlander is als een stripfiguur. Hij komt naar België voor relatief goedkoop onderwijs en hij praat te luid. Je hoeft hem alleen nog een streepjesshirt en een broek met te korte pijpen aan te trekken en daar is de gierige pierlala. De veel te grove Lange Wapper die de universitaire biotoop van Brussel komt verstoren.

In 2016 behaalde ik mijn bachelor Sociologie aan de Universiteit van Amsterdam, waar ik met veel plezier studeerde, en waar een portret van Karl Marx in het trappenhuis hing. De Universiteit van Amsterdam schroomde niet om kwalitatieve onderzoeksmethoden aan ons te introduceren. De aan de Chicago School ontleende leuze ‘Ga met je poten in de modder staan!’ dreunt nog altijd na in mijn hoofd.

In het eerste studiejaar vonden onze lessen plaats op een steenworp afstand van de Amsterdamse wallen. Wij leerden om zo min mogelijk te (ver)oordelen; sekswerkers en hun klanten, uitbaters van seksclubs vernoemd naar iets met bananen, en zelfs de dronken toeristen die er rondzwalkten, zij waren ook gewoon mens en daarom interessant voor sociologen. Plekken als de wallen, waar je normaliter nooit komt, zouden we daarom niet langer moeten mijden. Integendeel, we zouden er juist op af moeten gaan om vragen te stellen aan om het even wie we er tegenkwamen. En zo leerden wij dat de sociologie, klein of groot, voor het oprapen ligt. Voor een aspirant-socioloog geeft dit een prettige zekerheid: je werk zal nooit af zijn.

Na het behalen van de bachelor sociologie was ik nog niet klaar voor een (te) specifieke master. Daarom toog ik naar Brussel waar de Vrije Universiteit een breder masterprogramma bood. Het duurde een zomer eer ik er een woning had gevonden, maar het duurde slechts een dag voordat ik de stad Brussel in mijn hart had gesloten. Het enige probleem was de universiteit; het gebouw bleek een troosteloze bunker die het motto ‘redelijk eigenzinnig’ droeg. Het gebouw deed me verlangen naar een tussenjaar en het motto deed me denken aan het ondergoed van Marlies Dekkers. Of aan Calvinistische gekkigheid; net zoveel conservatisme op de universiteit als lege colablikjes in de oceaan.

En toen begon het studiejaar. Tijdens een college vertelde ik over mijn etnografische studie naar sociale interacties in een Brusselse wasserette. Na afloop werd mij de volgende vraag gesteld: “Maar…wat is een etnografie? En… is zo’n kleine, kwalitatieve studie wel ‘maatschappelijk’ relevant?” Op dat moment leek mijn medestudent de personificatie van het ‘redelijk eigenzinnige’. Enkele maanden later weigerde een andere medestudent een presentatie te houden over een etnografisch onderzoek. Hij was van mening dat het onmogelijk was om de studie te lezen omdat hij nog nooit een etnografie had gelezen en tot de conclusie was gekomen dat er in een dergelijke studie geen duidelijke structuur van hypothesen, methoden en resultaten zat. De drogredenen kronkelden nog lang na in mijn hoofd en ik begon me af te vragen wat een master sociologie inhoudt als de etnografie er zo duidelijk het onderspit bij delft.

Op den duur ben ik het gaan begrijpen. De VUB heeft namelijk een tweede motto; een deel van het gebod van de natuur- en wiskundige Henri Poincaré die stelde dat ‘het denken zich nooit mag onderwerpen’. Poincaré’s gebod, van Foucaultiaans allure, lijkt haaks te staan op de redelijk eigenzinnige mores. Het tweede gedeelte van het gebod echter, wordt door de VUB niet vermeld. In dit gedeelte blijkt dat Poincaré dol was op feiten. Het denken mag zich volgens hem nooit onderwerpen aan dogma’s, noch aan partijen, noch aan een hartstocht, noch aan belangen. Het denken mag zich alleen onderwerpen aan absolute waarheid. Goed idee voor een opleiding sociologie.

Terug naar de conventionele vraag of de kleine, kwalitatieve sociologie, maatschappelijk relevant is. De vraag doet me denken aan de Positivismusstreit van de jaren ’60 – een methodenkwestie waarin de socioloog Theodor Adorno en wetenschapsfilosoof Karl Popper lijnrecht tegenover elkaar stonden. Een van de aspecten van die strijd was dat Popper van mening was dat sociale wetenschappers zich, ten aanzien van de maatschappij, als een social engineer dienden te gedragen. Adorno was hier fel op tegen. Hij stelde dat sociale wetenschappers het maatschappelijke juist van een afstandje moesten bestuderen. Distantie was volgens hem een voorwaarde voor het formuleren van een toepasbare (én kritische) theorie. De socioloog moet zich daarom opstellen als een vreemdeling. Kortom: de wetenschappelijke Louis Theroux uithangen.

Helaas lijken dit idee en het standpunt van Adorno tot op de dag van vandaag nauwelijks te worden gedeeld door studenten sociologie van de VUB. Een socioloog zal altijd mensen blijven tegenkomen die sociologie aanzien voor psychologie, of voor een studie die in de jaren ’70 thuishoort, en niet in het nu. Dat is normaal. Het is dan de kunst om de leek te overtuigen van het nut en de schoonheid van je vak; de sociologie schijnt haar licht op de mensen die anderszins onzichtbaar waren gebleven. De socioloog biedt uitleg wanneer wij onze eigen samenleving niet meer begrijpen. Zoals nu met alle bommen en polarisatie.

Als een medestudent een veel te nauw begrip van sociologie hanteert, is dat ontzettend jammer. Wanneer een socioloog te graag ‘maatschappelijk’ relevant wil zijn, ontstaat er namelijk een belangenconflict. Immers; de socioloog beschrijft, maar intervenieert liever niet in het alledaagse, met de nadruk op ‘liever niet’. Het komt natuurlijk voor dat een sociologisch onderzoek door een niet-academisch publiek wordt gelezen, en dan heb je invloed op het alledaagse sociale. In de praktijk wordt het sociale met name beïnvloed door kwantitatief sociologisch onderzoek. Immers; getalletjes leer je snel uit je hoofd, en ze verkopen goed. Politici zijn daarom dan ook dol op getalletjes. Wanneer mensen lezen dat ‘allochtonen vaker werkloos zijn dan autochtonen’, dat ‘allochtone kinderen vaker overgewicht hebben dan autochtone kinderen’ wordt die ‘allochtoon’ – wie dat ook moge zijn – in het maatschappelijke discours al snel verguisd.

Kleinschalig, kwalitatief onderzoek daarentegen, verkoopt niet; een politicus zou een hele studie gelezen moeten hebben alvorens hij met de resultaten kan scoren bij zijn publiek. En al zou de politicus zich werkelijk in het onderzoek verdiepen, dan nog kan hij geen catchy en/of grootse uitspraken doen. Kwalitatieve onderzoekers doen namelijk geen uitspraken over de gehele populatie, zij spreken zich slechts uit over de mensen die zij bestudeerd hebben. Dat betekent dat ze het niet hebben over ‘allochtonen’ dit of dat, maar over een paar mensen die deel uitmaken van een minderheidsgroepering. Kwalitatieve onderzoekers willen niet ‘significant’ scoren. Een consequentie daarvan is dat zij zich zelden bezig houden met het behartigen van de politieke, of zelfs commerciële belangen van opdrachtgevers.

Mijn doel is niet het verder aanwakkeren van de klassieke strijd tussen voorstanders van respectievelijk kwantitatief of kwalitatief onderzoek. Mijn doel is om een ogenschijnlijk gebrek aan respect voor en onderwijs over kwalitatief onderzoek aan de Vrije Universiteit aan te kaarten. Er lijkt hier in Brussel een soort wantrouwen en angst te heersen voor dezelfde sociologie die in Amsterdam wordt gezien als een moedige ambacht; een discipline waarvoor de wetenschapper eindelijk uit zijn hoge toren klimt.

Dus, beste medestudent, om je vraag over mijn thesis te beantwoorden: ik ben een socioloog. Ik ben niet de uitbater van een buurthuis voor minderheden of beledigde vrouwen. Ik ben geen vreemdsoortig psycholoog. Ik ben ook geen jaren ’70-ideoloog. Sterker nog: ik wens wars te zijn van ideologie omdat ik, eenmaal bevrijd van haar juk, een stranger kan zijn. De voorzichtige conclusies die ik in mijn thesis heb getrokken zullen waarschijnlijk baanbrekend noch bloedstollend zijn. Ik heb me dan ook toegelegd op het bestuderen en beschrijven van slechts een fragmentje samenleving. Ik heb met mijn poten in de modder gestaan en ik noem mijn thesis een etnografie. En als je in je master sociologie nóg niet weet wat een etnografie is, of als je vindt dat etnografen hun resultaten onoverzichtelijk presenteren, dan kom je maar een tijdje in Amsterdam studeren, jij – excusez le mot – domme Belg!

Rosa van Triest

Tekst en Beeld

Leave a Reply