Laatst las ik dat er duizenden vogels per jaar sterven aan heliumballonnen die in zee belanden omdat ze die aanzien voor voedsel. Winkeliers op de luchthaven trekken zich er niets van aan, kinderen blijven heliumballonnen in hun vuisten klemmen terwijl ze aan de andere hand worden meegetrokken door hun ouders. Toen ik vannacht wakker werd staarde ik langdurig naar het enorme lichaam van mijn man, naar zijn buik die zich in en uit zette. Hij deed me denken aan de beelden op het journaal van een aangespoelde walvis. En ik bedacht me dat zijn lichaam net zo ver van me afstond als de walvis, dat ik er vervreemd van was geraakt. Niet lang daarna zette ik mijn voeten op de koude vloer, trok ik mijn jas aan over mijn pyjama en verdween ik.

De man die naast me zit heet volgens zijn Starbucks-beker Walter. Hij lacht naar me alsof we een geheim delen. ‘Je moet nooit ergens spijt van hebben’, zegt hij en ik knik alsof ik mezelf daarvan wil overtuigen, zoals ik mijn lichaam er ook elke avond van overtuig dat het moe is en dat het slapen kan. ‘Heb jij ooit ergens spijt van gehad?’ ‘Nee’, zeg ik terwijl ik denk aan die keer dat ik het gasfornuis aan had laten staan en in slaap gevallen was. Niet veel later werd ik gewekt door mijn man die riep dat ik ons gezin ten gronde probeerde te richten. ‘Weet je wat het is? Vroeger vertrouwde ik geen mens. Ik dacht dat iedereen geheime plannen had. Maar weet je wat het is? Niemand heeft een plan. De meeste mensen zijn gewoon achterlijk.’
‘Ja.’
‘Daarom moet je ook nooit ergens spijt van hebben, want het meeste doet er toch niet toe.’ Die opmerking stelt me gerust en ik besluit hem voor de rest van de dag met me mee te dragen als een stuk bagage. ‘Waar gaat de reis eigenlijk naartoe?’, vraagt Walter. ‘Barcelona’, zeg ik.
‘Goede keuze, lekker weer.’

Mijn psycholoog vroeg laatst of ik mezelf als een goede moeder beschouwde. Die vraag kwam volledig onverwacht, alsof ik weer in een tentamenzaal zat en erachter kwam dat ik een bepaald hoofdstuk niet had geleerd. ‘Het is maar hoe je het bekijkt’, zei ik, en ik wist dat ik hier niet mee weg zou komen, want volgens mijn psycholoog liggen alle antwoorden ergens in ons brein opgeslagen. Het feit is alleen dat sommige mensen beter zijn in archiveren dan anderen, dat mijn hoofd een rommelige zolderkamer is.

‘Kun je misschien wat meer over Sophia vertellen?’ vroeg mijn psycholoog.
Ik vertelde haar de gebruikelijke dingen: dat Sophia zeven jaar is en zich enorm aangetrokken voelt tot paarden, dat ze ons wekelijks plannen presenteert om de garage om te bouwen tot stal. De psycholoog fronste haar wenkbrauwen en even dacht ik dat ze de sleutel tot mijn persoonlijke archief in bezit had, dat ze de beelden zag van die keer dat ik huilend voor Sophia’s bed stond en vroeg of ik bij haar mocht slapen omdat het weer eens voelde of de grond onder mijn voeten weg was geslagen. Maar mijn psycholoog vroeg niet verder. Ze schreef wat dingen in haar notitieboek en ik bleef alleen met mijn herinneringen.

Ik loop al een halfuur langs souvenirwinkels en cafés en ik hoop dat ik op dit moment niet geobserveerd wordt door een groep studenten want dan begin ik zo langzamerhand op te vallen: Vrouw in rode regenjas, eind dertig, blijft maar rondjes lopen. Om die reden blijf ik stilstaan bij het scherm met de actuele vertrektijden. [Marrakech 9.38 uur, gate E8, Barcelona 9.52 uur, gate C9. Er zijn zo ontzettend veel mogelijkheden dat ik me afvraag waarom de meeste mensen zich elke dag blijven voortbewegen binnen dezelfde cirkels: werk, supermarkt, huis. ‘Kan ik u helpen?’, wordt me gevraagd door een KLM-stewardess. Het verbaast me toch telkens weer hoeveel positieve energie stewardessen uitstralen. Soms zou ik willen dat er elke ochtend een stewardess naast mijn bed zou staat die me moed inspreekt. Het zou me helpen mijn dagelijkse handelingen – opstaan, aankleden, douchen – met meer daadkracht te verrichten. ‘Ik weet het niet.’ Meteen heb ik spijt van mijn onduidelijke antwoord. ‘Ik ben me op dit moment nog aan het oriënteren’, vul ik daarom aan. De stewardess blijft naar me glimlachen en ik vraag me af of ze dit op een cursus geleerd heeft. Dat ze ook aan haar uitstraling moet denken als de kerosinetank van het vliegtuig halfleeg blijkt te zijn door een rekenfout en ze ergens boven de stille oceaan zweeft. ‘Als u wilt kan ik met u meelopen naar de incheckbalie.’

Van mijn psycholoog moet ik elke dag drie dingen opschrijven die goed gaan. Laatst schreef ik bij punt één: ‘Ik maak nooit grammaticale fouten, ook niet als ik dronken ben.’ Bij punt twee wou ik opschrijven dat ik Sophia nog nooit te laat van school heb opgehaald maar het leek me vreemd om eerst te beginnen over een dronken staat van zijn en pas daarna over het moederschap, dus schreef ik: ‘Ik heb nog nooit iemand met opzet beledigd.’ Niet veel later kwam mijn man binnen die meldde dat de gootsteen lekte en vervolgens vroeg wat ik allemaal aan het doen was. Dat is waar ons huwelijk steeds vaker om draait: aan elkaar vragen waar we mee bezig zijn ondanks dat we ons fysiek zo dicht bij elkaar bevinden. ‘Ik ben ruimte in mijn hoofd aan het creëren’, antwoordde ik. Mijn man vroeg niet verder ondanks dat een aantal dingen al een tijd niet helemaal lopen zoals ze zouden moeten lopen: dat ik laatst dacht dat de startknop van de wasmachine verdwenen was en ik in paniek raakte.

De vrouw achter de balie van Baltic Airlines heeft een vriendelijk gezicht en ik ben bereid haar alles te vertellen: waar ik opgroeide, wat mijn grootste angsten zijn, maar ze vraagt alleen maar naar mijn paspoort en of ik voor of achterin het vliegtuig wil zitten. Ik heb Riga uitgekozen als bestemming omdat ik daar nog nooit ben geweest en is het niet zo dat de tijd langzamer gaat wanneer je nieuwe ervaringen op doet? De vrouw print mijn [boarding pass en vertelt me dat de gate om vijf uur opent. Ik neem plaats op een kuipstoeltje omdat ik er niet langer uit hoef te zien als iemand op zoek naar een doel, want mijn doel heb ik in mijn vuist geklemd. En ik denk aan de eerste date die ik met mijn man had, meer dan tien jaar geleden. Hij nam me mee naar een hotelbar die niet heel bijzonder was, maar waar ze wel vijftien verschillende soorten whisky hadden. Aan het einde van de avond stopte ik de glazen in mijn tas. ‘Geweldig hoe jij je alles gewoon toe-eigent’, zei hij in de taxi op weg naar zijn huis. Daarop begon ik meer dingen te ontvreemden in zijn bijzijn – kristallen glazen, porseleinen beeldjes in hotelkamers. Eén keer kreeg ik het voor elkaar een lamp naar buiten te smokkelen. Ik dacht dat het me over liet komen als een vrouw die de wereld aankon, maar volgens mijn psycholoog ben ik gewoon in mijn kindertijd blijven hangen.

De zon is aan het opkomen en mijn man belt. Mijn man die waarschijnlijk allang niet meer valt voor het kinderlijke in mij, die alleen maar angstvallig de bouwstenen van ons huwelijk overeind probeert te houden. ‘Waar ben je?’, vraagt hij met vaste stem. ‘Schiphol.’ Terwijl ik om me heen kijk vraag ik me af of dit het juiste antwoord geweest was. Of ik niet specifieker had moeten zijn en had moeten zeggen dat ik op een blauw kuipstoeltje zit met een ticket in mijn linkerhand.

‘Ik moet je nageven dat je gevoel hebt voor drama’, zegt mijn man.
Omdat ik niet weet wat ik met die zin aan moet, ik er het liefste een aantal woorden uit wil onderstrepen om de kern te begrijpen, antwoord ik: ‘Wist je dat er duizenden vogels per jaar sterven aan heliumballonnen die in zee belanden?’

Mijn man gaat er niet op in, misschien omdat hij niet langer een idealistisch mens is en het hem ook niet meer uitmaakt dat er in West Antarctica elf ton ijs per jaar smelt. Hij praat als een nieuwslezer en stelt me een aantal duidelijke, heldere vragen. Dan blijft het stil aan de andere kant van de lijn omdat ik nu een antwoord dien te geven maar ik kom helemaal nergens op.

‘Alice?’ vraagt hij. ‘Heb je je medicijnen wel genomen?’
Ik denk aan het woord medicijn en dan aan het witte potje dat op ons nachtkastje staat. Dat ik een paar dagen geleden het potje een aantal keer omdraaide in mijn handen en er toen besloot mee te stoppen omdat ik met een tal van activiteiten gestopt was – stofzuigen, de was doen – in de hoop dat het me meer ruimte in mijn hoofd zou geven. ‘Blijf zitten waar je zit’, zegt mijn man. ‘Ik kom eraan.’
Zijn woorden klinken zo heldhaftig, alsof ik een klein kind ben dat door een brandweerman uit een boom gehaald wordt. Maar ik wil helemaal niet gered worden, dus hang ik op en begin ik richting de douane te lopen. Terwijl mijn lichaam gecontroleerd wordt op vloeistoffen en wapens vraag ik me af of het stikken in een stukje ballon de ergste manier van sterven is. Of het erger is dan verdrinken. En ik pak de opmerking van Walter weer uit mijn denkbeeldige stuk bagage, het stuk bagage dat ze niet kunnen controleren op vloeistoffen en wapens omdat het zich in mijn hoofd bevindt. Ik vouw zijn opmerking uit zoals je een landkaart ontvouwt, en er een paar keer overheen moet strijken voordat hij glad is. En ik herhaal tegen mezelf dat ik nooit ergens spijt van moet hebben, ook niet van die keren dat ik onder het sterrendekbed van Sophia wilde kruipen omdat ik weer het kind wilde zijn en ook niet van het feit dat ik over anderhalf uur naar Riga vlieg. Nergens van.

Emma Stomp

Tekst

Bram Visser

Beeld

Leave a Reply