De strijd der geslachten

Abram de Swaan (1942) is universiteitshoogleraar sociale wetenschap aan de Universiteit van Amsterdam sinds 2001 en vanaf 2007 emeritus. Hij was hoogleraar sociologie van 1973-2001. De Swaan was mede-oprichter en directeur van de Amsterdamse School voor Sociaalwetenschappelijk Onderzoek (1987-1997) en daarna voorzitter (tot 2007). Hij debuteerde in 1968 met Amerika in termijnen; een ademloos verslag uit de USA en promoveerde in 1973 cum laude op Coalition theories and cabinet formations. Voor het Sociologisch Mokum schreef de Swaan over zijn nieuwe boek ‘De strijd der Geslachten’.

Het patriarchaat was niet een samenlevingsvorm waarin welwillende mannen met grijze baarden het beste voor hadden met inschikkelijke, zorgzame vrouwen, zonder baarden. Het was in één woord een terreurregime, waarin vrouwen eronder gehouden werden door een onderdrukkende religie, een verstikkende cultuur en als het moest met bruut geweld.

Vrouwen moesten en moeten vaak nog steeds in veel opzichten leven als de minderen van mannen. Voor het grootste deel van de geschiedenis en vrijwel overal op aarde waren mannen de baas. Dat is het Algemeen Menselijk Patroon, en daar zijn uitzonderingen op.

De ongelijkheid was in sommige tijden minder dan andere, en in sommige samenlevingen groter dan elders. En, vooral, overal en in alle tijden zijn vrouwen er telkens weer in geslaagd om hun talenten en vaardigheden te gebruiken tegen de verdrukking in, om hun kansen te vergroten en hun positie te verbeteren. Ze deden dat op eigen kracht, maar nog vaker in samenwerking met lotgenoten en dus zijn er ook op allerlei plekken en op allerlei momenten vrouwen geweest die in het gezin of ook in de gemeenschap een veel belangrijker plaats innamen dan het algemeen patroon zou doen vermoeden. Daar resten weinig sporen van: er is in de geschiedenis tot de 19e eeuw maar heel weinig werk van schilderessen, componistes, uitvindsters, filosofes of dichteressen, kroniekschrijfsters, vertelsters, theologes, alchemistes, legerleidsters, wiskundigen, geschied- of natuurvorseressen bewaard gebleven. Al dat talent, als het al eens tot bloei kon komen, is voor het nageslacht weggevaagd.

Pas in de twintigste eeuw blijkt dat vrouwen in vrijwel elk opzicht even goed presteren als mannen. Het was de eeuw van de emancipatie van de vrouw en van de geleidelijke doorbreking van het algemeen patroon van vrouwenonderdrukking. Het is een tijdperk van emancipatie die nog voortgaat, van vrouwen, van arbeiders, van gekoloniseerde volkeren, van zwarten, van homoseksuelen, en uiteraard van burgers in de nieuwe democratieën. Het was ook een eeuw van ongehoorde tirannie en van oorlogen, burgeroorlogen en volkerenmoord.

Die bevrijding van de vrouw is nog maar een gedeeltelijke bevrijding: nog steeds niet in alle opzichten en al helemaal niet overal op aarde. Maar nu we gewend geraakt zijn aan vrouwen in allerlei functies die anderhalve eeuw geleden nog volslagen ondenkbaar waren, rijst de vraag: hoe is het mogelijk dat vrouwen gedurende al die eeuwen daarvan uitgesloten waren, hoe was het mogelijk ze in hun ondergeschikte positie te houden?

Daar is een simpel antwoord op: dat kon door een patriarchaal systeem, een systeem van mannelijke overheersing, gesteund door het gezag van de kerken, door de druk van de cultuur en traditie, doordat elke tegenstem onmiddellijk gesmoord werd en tenslotte, in laatste instantie, door keihard geweld, geweld dat onbestraft bleef maar wel alom bekend werd, zodat het werkte als een waarschuwing aan iedere vrouw die zich iets in haar hoofd zou halen. Over dat systematisch geweld waarmee vrouwen door de eeuwen en van land tot land op haar plaats gehouden werden gaat het eerste hoofdstuk van het boek dat ik aan het schrijven ben: Terugslag; de wereldwijde oorlog tegen de vrouwen door jihadisten en rechtsisten.

De twintigste eeuw is het tijdperk waarin dat patriarchaal systeem geleidelijk doorbroken werd en het staat nu vrijwel overal ter wereld op instorten. In de afgelopen honderd jaar in het Westen, in de afgelopen vijftig jaar in de rest van de wereld, zijn vrouwen begonnen aan een opmars die nog lang niet voltooid is, maar die toch al iets heeft van een triomftocht uit de onderdrukking naar gelijkheid tussen de geslachten. Daarover gaat het tweede hoofdstuk van dit boek. Ik denk dat het onderwijs aan meisjes daarbij doorslaggevend is geweest. Al was dat meestal helemaal niet de bedoeling, die scholing verruimde de blik van jonge vrouwen, stelde ze in staat een betaalde baan te vinden, hielp ze om hun kindertal drastisch te beperken (met behulp van nieuwe middelen voor geboortebeperking), en maakte ze daardoor minder afhankelijk van een man en van mannen in het algemeen.

Vrouwen zijn in opkomst in alle sectoren van de samenleving en die opmars is niet te stuiten zelfs niet door de meest reactionaire regimes en sektes. Maar de emancipatie van vrouwen wekt ook een terugslag, en daarover gaat het derde deel van dit boek: heel wat mannen voelen zich aangetast in hun eer, in hun besef van superioriteit. Velen voelen dat als een aanslag op hun mannelijkheid.

Ik beweer in dat laatste deel dat zowel de fanatici van de jihad als protestantse en katholieke fundamentalisten, net als de nieuwe rechtsisten van alt-right, gedreven worden door ressentiment tegen de bevrijde vrouwen. Zij allemaal zijn het over één ding eens: de vrouwen moeten terug in de keuken, de kinderkamer en de slaapkamer. Zij moet zich opnieuw leren schikken in haar minderwaardigheid aan de man. De dwepers verkondigen verder nog allerlei hoogdravende en kwaadaardige doelstellingen, maar die zijn meest ondergeschikt aan dit ene doel: krijg de vrouwen er weer onder.

Abram de Swaan

Tekst

Cleo Brekelmans

Beeld

Leave a Reply