De performativiteit van autoriteit

Op 8 november 2016 werden liberalen over de hele wereld wakker geschud: Donald Trump, de steenrijke zakenman, vrouwenhater en bovenal onervaren politicus was verkozen tot nieuwe president van de VS. Nadat de eerste verbijstering was weggeëbd, was de eerste vraag die door mensen hun hoofd schoot: hoe heeft dit kunnen gebeuren? Alhoewel de winst van Trump als unieke historische gebeurtenis de geschiedenisboeken in zal gaan, valt zijn winst uiteindelijk te begrijpen in een grotere context, namelijk in die van de opkomst van de politicus als performer. De autoriteit van de moderne politicus wordt niet meer alleen gekoppeld aan zijn inhoudelijke kennis, maar vooral ook aan hoe hij zijn boodschap weet over te brengen.

Maar wat is dan precies autoriteit? Autoriteit beslaat in ieder geval een relatie tussen minimaal twee verschillende actoren, waarin de één een bepaalde claim legt op de ander en probeert deze ander zich naar zijn claim te laten schikken. Autoriteit is in essentie dan ook een relatief concept, verwikkeld met een notie van macht en gezag. Weber onderscheidde in zijn klassieke theorieën over gezag drie verschillende vormen: traditioneel, rationeel-legaal en charismatisch. Deze laatste charismatische vorm van gezag had in Webers theorie een religieuze grond: degene met het charismatische gezag bezat bovennatuurlijke kwaliteiten die voor anderen niet bereikbaar zouden zijn of zelfs door God gezonden. Diens persoons autoriteit kwam voort uit het hebben van deze bovennatuurlijke kwaliteiten.

Toch is de eerste associatie van mensen wanneer ze denken aan macht en autoriteit in plaats van een persoon, vaker de staat. Dat is ook niet gek, aangezien de staat veel beslissingen voor het volk neemt op dagelijkse basis. Vele bekende sociologen, zoals Weber, hebben dan ook aangetoond dat de staat ten opzichte van de burger meerdere autoriteit constructies kent, op basis waarvan de staat zijn acties legitimeert, bijvoorbeeld de autoriteit over het gebruik van geweld in de samenleving (het geweldsmonopolie). Performance is dan ook niet alleen voor de individuele politicus belangrijker geworden: ook moderne beleidsprocessen zijn doordrongen van performativiteit van autoriteit. Waar bestuurlijke autoriteit eerder in de handen van een select aantal actoren lag, is de autoriteit om beleid te maken tegenwoordig uitgespreid over vele actoren in governance netwerken. Deze netwerken centreren zich rondom maatschappelijke problemen zoals integratie, en kenmerken zich door deelname van zowel private- als publieke actoren. De partijen zijn onderling afhankelijk van elkaar om het geïdentificeerde maatschappelijke probleem op te lossen. In deze netwerken is de overheid slechts één van de vele partijen aan tafel. Het wegvallen van hiërarchie binnen deze netwerken biedt andere actoren de mogelijkheid om hun eigen belangen door te voeren. Welke belangen uiteindelijk nagestreefd worden in de totstandkoming van beleid, is ook in deze horizontale constructie dus steeds meer een kwestie van performance overtuigingskracht. De vraag wie wanneer autoriteit heeft is daarmee dus complexer geworden. Van gesymboliseerd door de vorstelijke kronen die koningen op hun hoofd droegen, naar genesteld in de politieke instituties die de basis vormden van de moderne natiestaten, naar verspreid in de zogeheten moderne ‘governance netwerken’: autoriteit is een tijd- en plaats gebonden concept wat betekenis ontleent aan de context waarin zij voorkomt.

Terugkerend naar Donald Trump en de vraag van velen hoe het heeft kunnen gebeuren dat uitgerekend hij president is geworden, is het interessant om in te zoomen op zijn performatieve autoritaire handelingen tijdens zijn verkiezingscampagne. Zo waren de speeches die Trump gaf tijdens zijn verkiezingscampagne puur ingericht op het geven van een aantrekkelijk performance. De inhoud bleef hierbij expres oppervlakkig en secundair: het ging immers om het overtuigend neerzetten van de persoon Trump als leider, in plaats van het overbrengen van een sterk inhoudelijke boodschap zoals zijn rivale Hillary Clinton probeerde. Sterker nog, Clinton profileerde zich als ‘de rationele keuze’, een keuze die haar uiteindelijk duur is komen te staan.

Dit wordt beschreven door bekend sociologe Arlie Hochshild in haar boek ‘Strangers in their own lands’, waarin zij laat zien dat de opkomst van Donald Trump verklaard kan worden doordat Trump inspeelt op de emotionele gevoelens van deprivatie onder conservatieve Amerikanen. Hochshild doet in haar boek verslag van één van Trumps verkiezingsbijeenkomsten in Louisiana en laat zien hoezeer de bewoners onder de indruk zijn van alleen al Trumps aanwezigheid: ‘What a man!’ wordt er meerdere malen jubelend geroepen. Hochschilds observaties illustreren het punt dat autoriteit steeds meer aankomt op een overtuigend individueel charisma en performance. Donald Trumps autoriteit komt voort uit zijn eigen optredens waarin hij zichzelf als sterk leider presenteert, in plaats van uit zijn bestuurlijke expertise.

Met deze conclusie lijken de theorieën van Max Weber omtrent de verschillende vormen van gezag weer springlevend en relevant. We zien een afname aan rationeel-legaal gezag en een stijging van charismatisch gezag in zowel onze politieke beleidsprocessen als in de politieke arena, waarin het charismatisch leiderschap en de autoriteit van de moderne politicus steeds meer gelegen raakt in zijn bekwaamheid zichzelf als overtuigend leider te presenteren en tot de verbeelding van zijn publiek te spreken. Daarmee is er, hoe onbevredigend ook, ook een antwoord gegeven op de vraag hoe Trump heeft kunnen winnen: door zijn bekwaamheid – ja echt – zichzelf te presenteren als bekwaam.

Dora Weijers

Tekst

Leave a Reply