Ik bewoon nu mijn huis met zeven parkieten
zeven zielepieten, als je het mij vraagt.
Ze pikken alles: zaadjes, pitjes, studentenhaver
Het worden kogelronde tantetjes in een net zo ronde kooi.
Soms laat ik ze vliegen, dan pikken ze in mijn plantjes
en, eenmaal loom dalen ze op het aanrecht neer
dan zeg ik foei want voor je het weet vliegen ze in de fik van het fornuis
zulke parkieten zijn het dan ook wel weer.
Onder het ruisen van mijn spruitjes in de pan pikken ze in mijn overhemd met
ruitjes
Ik pik dat niet en zeg: scheer je weg, gek gevogelte
Nou dan worden ze boos en pikken ze in mijn brood met pindakaas of in mijn
krant
Die tantetjes die zo koket rondlopen over mijn hoogpolig tapijt
Daar kennen de meeste vrouwen nog een puntje aan zuigen
Die zeven pientere parkietjes zijn bij me komen wonen toen ook de laatste
vrouw gevlogen was
en die opgeprikte boel van de afwas en de afstandsbediening die altijd zoek
was en de wasmachine die kapot was omdat zo'n mens haar oorbellendingen
liet slingeren en toen in één keer weg was.
Mijn gekooide huisgenoten die kogelrond en koket hun dagen slijten.
Mijn lieve tantetjes die zonder woorden zijn en alles pikken.
Dit zijn ze: de zeven geliefden op wie ik precies een leven lang heb gewacht.

Rosa van Triest

Tekst

Cleo Brekelmans

Beeld

Leave a Reply