Vroeger had ik geld als water.
Nu ben ik blij als ik een haring kan betalen of
een plek in de slaapzaal.
Da’s géén plek onder de zon, maar swa.
Onder de dekens en
het gesnurk van mijn buren kan ik heel goed doen alsof.

Toen ik krantjes ging verkopen heb ik overwogen mijn baard af te scheren:
voor een frisse taas en een upgrade qua sjans. Maar ja, dán herkennen ze je niet meer.
“’t ken toch geen zwerver wezen,
wat een huichelaar om ons drukwerk te stelen!” Nou ik zeg je één ding: dat ken dus wel.
En wie staat daar te kleumen voor de albertse heijn?

‘t ken alléén maar een zwerver wezen.
Als ik nou nog geld had
als water
dan kocht ik de zomer zelf wel, in de supermarkt! Doosje aardbeitjes, witte wijntjes.
De hele mikmak om jou en mij gelukkig te maken. Kleedje erbij –
In plaats van krantjes zou ik dan aan iedereen mijn witte tanden en een zomers porem verkopen.

‘t is anders gelopen; een beetje mank als je het mij vraagt. ‘t is in een lelijke slaapzak gekropen in het park.
Maar morgen slaap ik weer
op zaal
en dan doe ik alsof de zon me komt verwarmen en jij en ik ernstig
aan het verbranden zijn.

Rosa van Triest

Tekst

Cleo Brekelmans

Beeld

Leave a Reply