Tweeduizendvijftien wordt ingeluid met maatschappelijke ophef: Antropoloog en journalist Joris Luyendijk veroorzaakt een mediahype met zijn nieuwste boek Dit kan niet waar zijn.

Gebaseerd op de blog die Luyendijk over een aantal jaar schreef voor The Guardian, wil dit boek een walkthrough door de Britse bankenwereld zijn. Naast een inkijk in deze ondoorgrondelijke planeet bevat Dit kan niet waar zijn een nadrukkelijke boodschap: De financiële wereld is niet ‘gefixt’ sinds 2008; er kan zó weer een crisis komen, en als die komt, dan kan je maar beter genoeg blikvoer en goud in huis hebben of maken dat je wegkomt.

Luyendijk structureert de opbrengsten van jarenlang interviewen in het veld aan de hand van relatief simpele vragen, zoals ‘Hoe kan je met jezelf leven’ en ‘Is het voor de bankentop mogelijk hun organisatie te overzien’. De lezer leert niet hoe derivaten precies in elkaar steken, wel hoe werknemers van de Londense City over ze praten. Hoe ze over elkaar praten, over hun eigen werk en over hun salaris. Maar niet over hoe hun werkplek er uit ziet, hun organisatie of hun naam want vrijuit spreken met de pers is strikt taboe.

Luyendijk schetst, veelal in de woorden van zijn respondenten, een vrij grimmig beeld. De financiële bedrijven zijn too big to fail en verenigen te veel verschillende werkzaamheden; de structuren zijn zo complex dat het ene onderdeel van een organisatie geen idee heeft waar het ander mee bezig is; aandeelhouders volgen elkaar zo snel op dat zij nauwelijks belang hebben bij het welvaren van ‘hun’ bedrijf. Toch is het boek erg prettig om te lezen, wat een verdienste is van Luyendijks schrijfkwaliteiten maar bovendien van zijn observatietalent. Hierdoor verrijst een serie prachtige miniportretten van gewone, leuke en boeiende mensen die toevallig op een vreemde plek hun werk doen. Hier zien we de antropoloog aan het werk. Door zijn scherpe oog voor eigenaardigheden, rituelen en ongeschreven afspraken biedt hij een kleurrijk, humoristisch en menselijk beeld van de Britse bankensector.

Zo ontdekt Luyendijk hoe advocaten in de financiële sector expres kleurloos overkomen: ‘saai is goed, voor advocaten.’ Dus neutrale kleding, niet te spannende restaurants en geen uitbundig gedrag. Zo creëren zij een aura van degelijkheid en stabiliteit, en voorkomen zij de indruk dat de klant ze te veel betaalt. Het zijn passages zoals deze die de achterliggende inhoud soepel koppelen aan scherpe observaties van het dagelijks leven, die de lezer werkelijk meenemen naar de City en de mensen die er werken. Zelfs werkelijk saaie informatie weet Luyendijk boeiend uiteen te zetten, door deze visueel te maken: Het hele bankwezen wordt bij hem een eilandenrijk.

Dit verrijkende aspect is echter tegelijk een vraagstuk: Werkt Luyendijk nu als journalist of als antropoloog? Enerzijds is het een nadrukkelijk journalistiek werk. Achterin is een verantwoording te lezen voor de anonimiteit van de bronnen: Tot Luyendijks eigen spijt was het niet mogelijk om ‘naar goede journalistieke praktijken’ een goed beeld te geven van zijn respondenten. Zelf pretendeert hij dan ook niet een gedegen antropologisch onderzoek te publiceren. Aan de andere kant heeft Lu zijn lessen uit dat vakgebied onthouden iets wat Luyendijk ook wel degelijk inzet als legitimatie van de bevindingen. Zo is er een hoofdstuk dat Going native heet, is de helft van het boek gewijd aan classificatie van ‘types’ in het bankwezen, en werkt Luyendijk met expliciet sociaalwetenschappelijke thema’s als rituelen. ‘De antropoloog in mij bloeide op,’ schrijft Luyendijk zelf, waarmee hij impliceert dat hij dit niet als antropoloog onderzoekt, en zich tegelijkertijd beroept op zijn autoriteit als antropoloog.

Het academische sausje lijkt te worden opgepikt. Zo is op Luyendijks eigen website een citaat van George van Houts [een acteur] te lezen, die Dit kan niet waar zijn omschrijft als ‘Een prachtig sociologisch portret van de beroepsgroep der bankiers.’ Een sociologisch, dan wel antropologisch, portret is het echter niet. Van wetenschappelijke rigueur is geen sprake: de dataverzameling lijkt tamelijk ad hoc gebeurd en is bovendien niet inzichtelijk. Bovendien ziet het er naar uit dat Luyendijk eerder de journalistieke, dan de academische manier van citeren en verslag doen heeft gebruikt. Het zonder vermelding parafraseren van interviews is bijvoorbeeld gedegen journalistieke praktijk, maar het is geen wetenschappelijke manier van werken. Het is dan ook een relevante vraag hoe veel en welke van Luyendijks bevindingen als een academische analyse zouden kwalificeren. Voor een journalistiek product is dat geen probleem, maar in dat geval is een zweem van wetenschappelijkheid ook weer minder op zijn plaats.

Luyendijk had minder mogen hinten op wetenschappelijke legitimatie die was bovendien niet nodig aangezien Dit kan niet waar zijn een zeer sterk journalistiek betoog is. Wel voegt de onderliggende antropologische visie een diepgang toe aan de uiteenzetting; niet over de technische werking van de financiële wereld maar juist over de menselijke kant ervan. Het principe van show don’t tell levert een luisterrijk verhaal op dat het hele boek blijft boeien. De kracht van goede observaties en een sterke boodschap hebben Luyendijk een verdiende hit opgeleverd; niet alleen in verkoopcijfers, maar ook in (media) aandacht. Wat dat betreft lijkt de missie van Luyendijk aardig geslaagd: Eindelijk klimt Nederland in de gordijnen voor een probleem van zeven jaar oud.

Carien Moosdorff

Tekst

Leave a Reply