Autoriteit – een concept dat even breed als vaag is. Want wat is autoriteit? En wanneer kan je ervan spreken dat iemand autoriteit heeft? En op grond waarvan? En ten opzichte van wie? Het is een term die al onderwerp van analyse is sinds Plato zijn Politeia schreef, en dat vandaag de dag nog veelvuldig geoperationaliseerd en beschreven wordt in legio vakgebieden binnen de sociale wetenschappen, de politieke filosofie, de rechtswetenschap et cetera. Hoewel aldaar ongetwijfeld zeer interessante debatten te vinden zijn, wil ik het hier graag hebben over een verwant, maar iets abstracter concept, dat denk ik (een van de) bestaansvoorwaarden van autoriteit betreft, en dat een zeer belangrijke rol inneemt binnen de sociale wetenschap: agency.

Agency is doorgaans iets dat we slechts toekennen aan levende dingen, doorgaans mensen of dieren, en iets dat we niet (willen) toekennen aan dode materie. Immers, objecten zijn zelden handelingsbekwaam, en zijn daarom niet de dingen die we, bijvoorbeeld, autoriteit willen toekennen. Daar lijkt meer voor nodig. In het bijzonder, lijkt er de aanname te zijn dat actoren, of dingen met agency, een mentale representatie kunnen maken van de wereld. In andere woorden: het zijn dingen die kunnen denken en daarnaar kunnen handelen. Ik benoem dit, omdat in de cognitiewetenschap en filosofie, in de jaren ’70 na de introductie van de functionele fMRI-technieken, er een vrij fel debat ontstond over hoe de wetenschap breinfuncties kon rijmen met onze cognitieve capaciteiten. In het bijzonder bestond er het idee dat we deze konden herleiden tot de fysiologie van het brein, of in modernere zin, in neural networks. De gedachte dat het geheel – van de mens – een optelsom was van delen, bleek namelijk geheel niet te kloppen. Met de komst van de fMRI weten we nu minder dan we dachten: er lijken geen neurologische patronen te bestaan die een ‘staat van verlangen’ toont, en bovendien blijkt het brein plastisch: wat voor het ene individu een neuraal patroon van ‘geluk’ is, hoeft absoluut niet hetzelfde effect te hebben in andermans brein. Sterker: bepaalde delen van het brein kunnen functies van andere delen overnemen indien deze beschadigd zijn. Het punt dat ik wil maken, is dat er een eeuwige zoektocht lijkt te zijn naar wat het mentale is. We zijn in meer of mindere gewend aan de opvatting dat de wereld werkt volgens de principes van de natuurkunde – in de literatuur doorgaans causal closure genoemd – maar hoe rijmen we dit met de schijnbare onvatbaarheid van onze cognitieve capaciteiten? Waar zit die agency? Het moge duidelijk zijn dat het mantra ‘Wij zijn ons brein’, onder meer gepropageerd door neurowetenschappers als Dick Swaab, een van de paradigmatische opvattingen is.

Nu kun je je afvragen, hoe verhoudt de cognitiewetenschap zich tot de sociale wetenschap? Het punt dat ik hier wil maken, is dat in antwoord op deze schijnbare tegenstelling, er binnen de cognitiefilosofie een opvatting bestaat, die stelt dat ‘the mental supervenes on the physiological’. De term supervenience is lang niet eenduidig, maar grof genomen komt het er op neer dat hoewel we erkennen dat iedere staat van bewustzijn haar oorsprong vindt in een neurologische staat van het brein, we omgekeerd niet vanuit de fysiologie van de hersenen afleiden in welke mentale staat iemand verkeert. Het mentale bestaat als het ware sui generis ten opzichte van het fysieke. Dit idee van supervenience of the mental, is breder toepasbaar. In de sociale wetenschappen spreken we namelijk niet alleen van actoren die agency of autoriteit bezitten, maar – en hier wordt het interessant – ook van instituties die invloed uitoefenen. Dode en abstracte materie die we analyseren als ware het mensen. De voorbeelden in de sociologie zijn talrijk: Bourdieu’s ‘field logic’, Moore’s ‘semi-autonoom sociaal veld’, of wellicht het meest treffende voorbeeld, Durkheim’s ‘society sui generis‘.

Het is interessant om op te merken dat dergelijke opvattingen ook terug te vinden zijn in de cognitiewetenschap. Anders dan de sociale wetenschap handelt zij vanzelfsprekend niet over groepen, maar over individuen, maar ook daar bestaat een vandaag de dag courante opvatting dat het mentale of individuele geconstrueerd wordt mede op basis van het sociale. Een term als institutie is men buiten de sociologie dus niet vreemd. In het bijzonder de stroming die 4E Cognition genoemd wordt, heeft een speciale relatie met het sociale. Binnen de sociologie kennen we allen het verschil tussen ‘vrijheid van‘ en ‘vrijheid om‘, ooit geopperd door Isaiah Berlin. Het eerste correspondeert met een liberale opvatting van vrijheid, het laatste met hoe de samenleving het individu in staat kan stellen dingen te bereiken die het op eigen houtje niet kan of weet. Onderwijs als primair voorbeeld. 4E Cognition bezigt zich met het duiden van het laatste in relatie tot het individu. Wat is de wisselwerking tussen (sociale) instituties en het mentale, en hoe verhouden zij zich tot elkaar? Zo zijn er bijvoorbeeld auteurs die iets abstracts als ‘het recht’, zijnde een gereïficeerd instituut van de morele opvattingen van de samenleving als geheel, zien als een instituut dat in staat stelt om te kunnen denken over goed of slecht. Een intuïtiever voorbeeld, onder de noemer enactive of embedded cognition, stelt dat iets simpels als straatnaambordjes een extensie van het mentale zijn, omdat bewegwijzering ons in staat stelt minder hersencapaciteit te gebruiken voor plaatsbepaling. Het argument, hoe vreemd het ook klinkt, luidt dat daarom straatnaambordjes een deel van onze cognitieve functies overnemen. Een derde voorbeeld: taal, als niet aangeboren vaardigheid, kan in staat stellen om concepten uit te drukken die het individu zonder die taal niet zou kunnen uitdrukken. Het primaire voorbeeld is het kennen van basiseenheden zoals getallen tot bepaalde grootheden, en daarbij de algebraïsche constructieregels om tot nieuwe eenheden te komen. Elementaire kennis van wiskundige taal is daarmee een extensie van ons denkvermogen, maar geenszins aangeboren.

Dit alles lijkt te suggereren dat abstracte zaken als ‘taal’ en concrete objecten als straatnaambordjes dus een zekere agency hebben: ze beïnvloeden ons als mens. Het is een theoretische positie die vooralsnog niet hartelijk ontvangen wordt omdat ze schijnbaar absurd is, maar ook binnen de sociale wetenschappen krijgt ze geleidelijk aan voet aan de grond. Denk bijvoorbeeld aan Bruno Latour’s notie van hybrids: pseudo-objecten die omwille van een model een zekere agency toegekend krijgen om het handelen van actoren te verklaren. In het zoeken naar en vinden van verklaringsmodellen om de wereld om ons heen, lijken we agency veelal voor lief te nemen. Het is iets ogenschijnlijk simpels, maar bij nadere inspectie blijkt ze een chimaera. Aan ons als sociale wetenschappers de schone taak haar te ontleden, deconstrueren, op te bouwen en te definiëren. Het is namelijk nog maar de vraag hoe we kunnen – of durven – spreken over complexere en afgeleide concepten, als de basisnotie ons nog vreemd is.

Joey de Gruijl

Tekst

Rosa van Triest

Beeld

Leave a Reply